164 GP.OOTE FIGUREN
lendemain même du tragique accident de Villequier, a ce moment oü Hugo et madame Hugo sanglotaient sur la tombe de leur Léopoldine, et la plume ne lui a pas écliappé des mains. . ."
(„Sainte-Beuve et le XlXe siècle", p. 63-64).
Ja, Professor.
„Les hommes de lettres sont quelque fois terribles!". . .
Is het genoeg? Of moet het schandelijke smaadwoord van Remy de Gourmont nog rauw uitscheuren over deze „affaire" („Prom. lit." IV), waarmee hij zonder absolute gegevens insinueert en de nagedachtenis van de vrouw eens grooten dichters armzalig schendt?
VI
Sainte-Beuve was, in vele opzichten, een groot literatuur-criticus.
Over den dichter Sainte-Beuve en den romancier, kan ik nu slechts heel beknopt schrijven. Als romancier stond l'Oncle Beuve met zijn ééne „Volupté" (analyse der hartstochten godbetert!) tot Balzac met zijn god-weet-hoeveel-deelen romans, gelijk Balzac met zijn éénen bundel critiek stond tot den criticus met zijn god-weet-hoeveel-deelen essay's. „Yolupté" is niets. Deze bescheiden man, modeste mais digne, schonk ons in een herdruk de allervleiendste getuigenissen over zijn roman, uit brieven, door vermaarde tijdgenooten hem geschreven. Dus niét uitspraken over werk, door uitgevers verzameld en gepubliceerd, buiten den auteur om, doch Sainte-Beuve zélf haalt oordeelvellingen over zijn boek aan uit brief en blad, die alléén hooge bewondering bevatten voor zijn romanarbeid. Vooral George Sand werd hier als loftrompet gebruikt. Deze domme, oncritische gans loeide rond: een meesterwerk van een