REMY DE GOURMONT, BALZAG EN SAINTE-BEUVE 165
engelachtige ziel. Intusschen is het: stichtelijke preek-lyriek van een verliefden dwaas, weerzinwekkend valsch van stijl en van taal en van gevoel. Hier is wulpschheid tot uitgedroogd levensprocédé verwrongen.
Over den dichter Sainte-Beuve (met godbetert z.g. parnassische verzen en een ״sensualité mystique") is nauwelijks meer te spreken. Anatole France deed het in zijn „Le génie latin", doch hoe „armzalig" liet hij den dichter achter bij den géést Sainte-Beuve1). De brutaal-uitmiddelpuntige, half-feudale Barbey d'Aure-villy, in zijn oordeel over dichter Sainte-Beuve, is niet ernstig te nemen. Barbey bezat, bij vermetele grofheid, „de verwaandheid van den grooten piet". Deze woordgoochelaar, als een ultra-montaansche Eivarol (Le Blond), bewonderde Sainte-Beuve, met walging van en haat tegen de democratie. D'Aurevilly's groote en prachtige eigenschappen en alle verfijningen van zijn zintuigzenuwen, komen in zijn diabolische verhalen eerst uit.
Terug tot den criticus Sainte-Beuve. Zijn methode van aesthetische critiek-uitoefening bestaat in: alle gegevens verzamelen en bijeenbrengen, in onderling verband, van den mensch wiens kunstwerk hij beoordeelt. Hij wil niets incidenteel of onbeschouwd laten. Alles moet onder microscoop en ontleedmes. Nawerking van de Tracy-school; niet emotioneel; louter intellectueel, ondanks kleverige nostalgie van Joseph Delorme. Al wat hij van den mensch verneemt (modeste mais digne), in den vorm van anecdote of gesprek. Al wat hij van hem listiglijk kan naspeuren en nasporen uit familie-betrekkingen, uit handelingen en verrichtingen in het dage-lijksche leven, brengt hij over op het gebied der scheppende persoonlijkheid en gebruikt hij als elementen van
1 J Anatole France schreef zelf Lecomte de L'Isle-achtige verzen, slecht, ondanks „sa suprème harmonie".