156 GP.OOTE FIGUREN
alleen, bij het artikel van 1834, zelfgenoegzame noten van 1845; weer tégen Balzac, met veel geniepigs en giftige valschheid erin.
Aan beide kanten breekt de menschelijke ijdelheid als een wond open. En alweer blijkt: Sainte-Beuve miste alle ridderlijkheid en alle oordeelsvastheid.
Gourmont laat in zijn opstel over beiden, de gemeenheid van Sainte-Beuve's artikel lang niet voldoende uitkomen. Het is zuur, wrevelig-ironisch, verdachtmakend, onkiesch, geniepig-onkuisch en smakeloos, vol bedekt-persoonlijke toespelingen. Al maakt Sainte-Beuve ook prachtig-rake, zéér juiste, snijdend-scherpe critische opmerkingen. Het is bovendien zalvend en contractiel, vies-van-tendenz en vulgair van psychologie. Ook allermalst in strijd met den man die van zichzelf verklaarde, dat hij de ״elegie" in de critiek had gebracht. (Yeuillot die Sainte-Beuve kreupel sloeg, schatert bij dit woord!) Utopische Balzac heeft waarlijk Sainte-Beuve met zijn pen willen „doodsteken" *), en op zijn manier een sterk psychologisch brok bezielde critiek geleverd; opmerkelijker wijl Balzac zich vaak aan zeer belachelijke vonnissen of lofuitspraken bezondigde. Herinnert u slechts zijn mallepraat over Byron en Scott. Toch niét belachelijker dan Thackeray's opgeblazen lof op Dumas. Maar hoe ook, Balzac vocht altijd met een pen Doch het gereedschap van Sainte-Beuve (achterklap) heeft eigenlijk geen naam. Wie woelt en wroet er met een beaschten pook in het particuliere leven van een mede-auteur? Wie roddelt er met een radde kamerverhuursters-tong?