REMY DE GOURMONT, BALZAG EN SAINTE-BEUVE 149
״L'embonpoint charmant de la seconde jeunesse" (Mme Hanska)
heeft het zwaar te verantwoorden1). Gourmont, die eigen heimwee en droefenis zacht laat meefluisteren door zijn proza, hoort ge niet zagen. Het is als een zangerig geneurie, maar o, het gaat zoo wrang, zoo wee-kervend diep bij den „aristo". Hij was „an aristocrat both by descent and by temperament" (Gosse). Balzac, in zijn scherpe, vaak onnoozele en soms zelfs heel achterlijke critiek, blijft voor Anatole France altijd toch de hijgende
„Lucifer de la littérature la plus diabolique de tous."
Al erkent France:
„Mais, quand Balzac me ferait un peu peur et si même, je trouvais qu'il a parfois la pensee Iourde et le style épais, il fau-drait bien encore reconnaitre sa puissance. C'est un dieu!" („La vie littétaire" I).
Sainte-Beuve is ganschelijk anders, als vonnisser. Hij scheurt iets af, heel traag, kitteloorig, heel langzaam. Hij foltert tot de paresis intreedt bij het slachtoffer. Sainte-Beuve's critiek blijft inquisitorisch. Zij wordt product van een martelgrage natuur. Sainte-Beuve is soms alleen burgerlijk, listig, karakterloos, uiterst geleerd, reactionair, deurwaarderig-socioloog als historicus, wreed en soms duldeloos-ploertig. In dit verband begrijpt men, waarom Ernest Lavisse in zijn „Histoire de France" rept van „le réalisme de Sainte-Beuve". Er stinkt nog chloroform om Sainte-Beuve's handen en zijn jas riekt naar de snijkamer. Zelfs bij zijn koddigen ontledingsspot op Hugo's fouten in drama's, ruikt ge
1 ) Zijn grootste vriend en vurige vereerder Th. Gautier verklaart ruiterlijk! „Balzac, eet immense cerveau, ce physiologiste si pénétrant, eet observateur si profond, eet esprit si intuitif, ne possédait pas le don littéraire! chez lui( s'ouvrait un abime entre la pensée et la forme". („Honoré de Balzac". p. 32).