144 GP.OOTE FIGUREN
linguïstische uitlegkunde van katholieke zinnebeelden.
Het is, kalm overdacht, eigenlijk om te proesten. Gourmont, dubbelhartiger pseudo-classisist dan Anatole France, de intellectueeleparmantigerd (ik hoor skeletten-gerammel in den dikkerd), de pervers-intellectueele zinnengenieter, likeurstoker van alcoholisch proza, die den reus Balzac, den schepper en onthuller van al soort menschelijke naturen, gaat bevitten of komt ontvlooien. Met alleen in zijn studie: ״Balzac et Sainte-Beuve", maar ook, maller en grover, in zijn stuk: ״Les maitres de Balzac":
״C'était aussi un esprit trouble, et son oeuvre aussi est une oeuvre trouble, beau fleuve oü venaient se déverser trop de rivières empoisonnées". (״Prom. lit." II, p. 120).
Ook in zijn boek: ״Le problème du style", kletst deze heldhaftige nazaat-Druïde, tusschen vergelijkende spraakleer, hopeloos óver en tégen Balzac1). Wat wil dat kleverige afdruksel, dat samensmeltsel van Taine en Yilliers de 1'Isle Adam eigenlijk? Wat wil dat Metzschiaantje met gewrichtsrheumatiek; wat wil die Benan met koorknapenstem, deze zoete zal ver en glimlacher, die de natte vuurpijlen van Voltaire weer begeert te ontsteken op de ijdelheidskermis der twintigste-eeuwsche menschheid? Wil hij Balzac knauwen en krenken en galsterige buien luchten? Is hij psychasthenics en plager, een roddelende hekelaar achter horretjes? Is hij, in zijn rede-neerderige onmacht, meer vóór den geleerden Sainte-Beuve (leunstoel-wijsgeer, wiens ״sang-froid" Scherer