OVER FRANCISGUS VAN ASSISI 127
XYI
Ach, ik hoor het grinnikend geschater der cynici, die al zulke kleurige sprookjes phantastische zotteklap en argeloos utopisme noemen. Ik hoor het hoongelach van vrome Franciscus-vereerders, snijdend, vlijmend, droog, fanatisch-nuchter. Hoe? Wij los van bezit, omdat de Heilige uit Assisi, de seraphynsche nachtegaal naar het woord van Bonaventura, zijn schatten wegschonk? Wat? Wij vereeren den zelf-kweller, den ascetischen idealist wel, die leprozen kust, maar volgen hem niet. Wij zijn maar doodgewone menschjes die rillen van zijn heilige zelfkastijdingen1) en van zijn vreemde, boete-predikende grootheid.
Ik hoor ook den rinkelbom der ״wetenschappelijke" en psychologische hervormers, die mijn woorden als duffe larie, als lyriek van den kouden grond zullen brandmerken. Want zij, de „wetenschappelijken", hebben in hartstochtlooze zekerheid den omgroei der maatschappij doorschouwd naar de ontwikkelings-tendenzen van het heerschende productie-stelsel zelf. Zij, wetenschappelijke maatschappij-hervormers, formalisten, gieren om zelfpijnigingen; zij weten, weten en achten het woord „verlossing" rariteit, hol, mal, ideologisch, utopisch, burgerlijk. Zoo ondoorgrondelijk, onaanrandbaar en allergeweldigst, buiten gevoel, droom, aandoening, utopie, staan de abstracte denkers van het „wetenschappelijk" socialisme. Zij weten, „weten" ondoorgrondelijk, maar wij, hijgende gevoels-ontroerden, half-manke wederdoopers, in verborgenheid-schemer ondergedoken gnostici; wij natuurschoon-verachtende, dwepende
1 J Dmitri Merejkowski laat in zijn Leonardo da Vinei-roman Leonardo zeggen: „Ik heb wel eens gehoord dat de heilige Franciscus neerslachtigheid als de ergste zonde beschouwde. Hij verkondigde, dat hij, die God wil behagen, opgewekt moet zijn".