128 GP.OOTE FIGUREN
zoetelingen, die een heiligen-gemeenschap op aarde prediken of een herlevend Thomas Moore-TJtopia, een menschheid in Nergensland zien opdoemen; ״wij laat-dwaze Fourieristen en halve gare Saint-Simonisten, wij utopische heilsleeraars van een tragisch menschenlot, wij speculeerders op geheime openbaringen... Ach, zwijg maar hooghartige rakkers. Wij staan even ver af van Fourier's ״universelle harmonie" als van Saint Simon's ״L'Organisateur" en zijn dualistisch ,.Nouveau Christianisme".
Het bhjft een leugenachtige voorstelling van boosaardige breinen en van bekrompelingen, die, schoon zelf een goddelijke orde van Christus en een verwerving van genade tegemoet ziend, den strijd der arbeiders om een betere, of een geheel nieuwe samenleving, steeds kenschetsen als een vechten voor méér materieel genot; als een vergrofd of verfijnd hedonisme. Integendeel, hun strijd is een door en door geestelijke, een moreele strijd; geen zinnelooze dwarreling van begeerten. De strijd van het volk bezit ook zijn gemeenschaps-mystiek en zijn Quietisme1). Deze strijd zal nu eens niet de Renaissance van Italië of van Midden-, Oost- of WestEuropa worden; het ״intreden van het individualisme", het ״ontwaken eener schoonheidsdrang"; ook niet een Renaissance van verstooters of aanbidders der Oudheid. Deze strijd zal nu eens geen Renaissance-problemen, verklaard door een Carl Neumann of door Burchkardt, door Courajod of door Pater, door Yoigt of Symonds, Troeltsch of Monnier, opwerpen; maar nu een Renaissance van de geheele Menschheid, over de geheele aarde, van