OVER FRANCISGUS VAN ASSISI 125
Als wij een andere Gemeenschap eischen op aarde, voor alle menschen, een andere gelijkheids-gedachte, met onbeperkte verwezenlijking der naastenliefde, dan be-geeren wij deze nooit en nimmer uit stofvergoding of uit zucht naar lekker leven. Dan willen wij haar nimmer uit een materieelen drang naar een beter bestaan, dat wij nochthans het proletariaat gunnen. Het geweldige verlangen naar een nieuwen maatschappij-vorm (dichterlijke legende?) is vooral een ethisch hunkeren naar recht en rechtvaardigheid. Wat liberale en orthodox-katholieke aesthetici — op rein geloofsgebied door bijzondere goddelijke openbaringen begenadigd, — in Henriëtte Eoland Holst, met trillende gevoels-verteederingen bewonderend bezingen, dat is juist geboren uit haar sociale menschelijkheid, haar zedelijk besef, dat de dichteres tot de universalistische ontroeringen van haar werk-ver-hevenheid vermocht te brengen. Erkent dus, dat zulk utopisch dringen-van-het-hart nooit uit een verbastering, aan een lagere leven sspheer van in-genot-verzonken zinnelijkheid kan zijn ontsprongen. Wij willen botte vlerken met cynische gifmengers-praatjes, kreupele Messiasjes van een ״nieuwe" schoonheid, niet nü te woord staan. Wij richten ons hier alleen tot de zuiver-ideëele, tot de hooge naturen onder onze tegenstanders, zonder of met Eranciscaansche idealen. En dan zeggen wij: al uw ontvankelijkheid voor de lij densmystiek, voor het goddelijke, het hoogst-verhevene in Eranciscus, verrukt ons1). Maar ontvlucht niet het onrecht noch verzinkt in berusting2). Doet mee aan ónzen strijd, wijl ge toch, gelijk de uitgemergelde Heilige, de gestigmatiseerde uit