OVER FRANCISGUS VAN ASSISI 123
wij eerder naar den hemel dan van een paleis uit, onmiddellijk beaamt1). Het brandt in ons, al van de eerste bewuste jeugd af: gemeenschapszin, cultuur-opbouwend instinct. Onze ergernis, ons verzet en onze opstandigheid wortelden altijd in religieus levensgevoel. Het was en is bloedende rebellenhaat en huiverende verachting voor rechtverkrachters. Het is opstandigheid, verzet, gelijk ze leefden in de Propheten, in Christus zelf, in alle hervormers, in alle ״dweepzieke drijvers" naar het allerhoogste goed. Maar wie gelooft aan de donzen schil van de vruchten, als ge uw tanden op het steenige van de perzikpit pas gebroken hebt? Gij, Gerard Bruning, edele doode, die met zooveel vlijmscherpte in u (een vrouwelijk-vurig intellect), met zooveel snijdende en kervende levens-oprechtheid, de Schoonheid diende met magische overgave, ook als menschelijk-geloovige, gij hebt toch de kern van dezen drang in mijn werk zoo zuiver gevoeld toen gij mijn ״Manus Peet" in ״Boeping" liefdevol beoordeelde als JcatholieTc; gij voelde wel wat ik met dezen sardonisch-tragischen rampspoeds-mensch wou geven; oneindig meer dan een jammerlijken, zwak-gevoeligen bochel die het leven vreest; méér dan een smartelijk-verwrongen Cyrenaïcus, die door de nieuwere instincten-psychologie naar het rijk van onvruchtbaar scepticismezou worden teruggedrongen! Gij voeldehet, ten-deele althans. Want wat gij meende dat ik, in hartstocht-stormen ontbeerde (het geloof in ״eeuwige waarheden"), dat miste juist gij; echter anders dan ge beseffen kondt, ondanks de edelkoene kracht van uw geestelijke energie en uw strijd tegen koele hoogmoedigheid der aestheten.
In ״Manus Peet" en in zijn smartelijke verworpenheid,