95
— Och kom, meneer Hols! — lachte Eva weêr 'n beetje op vroolijk-ruziezoekerigen toon — wilt u nu weer wat tegenspreke ?... vindt u bijvoorbeeld de Amstel niet altijd heerlik,... verrukkelik,... 's zomers en 's winters, en... overdag,... wanneer je wilt,... heel vroeg en namiddag,... en de Ruijterkade... en 't Vondelpark,... en al die prachtige grachte zooals nu ?... U zult wat zien over 'n paar dage, als hier schaatse gereë wordt, dat krioelende leven op 't ijs,... en als dan de zon over de grachte zinkt, éénig!... En dan nog duizend andere mooie plekke, waarvan ik nu den naam niet weet, maar die goddelik mooi zijn!... Nee, zegt u nu maar niets op Amsterdam,... ik vind de stad soms veel mooier nog dan Parijs... wel niet overal zoo grootsch, maar inniger, fijner, vol stemmingsmooi... veel meer gebroke licht,... veel waziger en rijker met al die tone en tinte.
Zachter liepen ze voort en Hein, struikelend over 'n steen, zei, omkeerend, zoekend achter 'm iets, waar ie over gevallen was:
— Daarover kan ik heelemaal niet oordeele,... maar wèl wou 'k toch dat 'k 't kon, dan was 'k tenminste hier eens uit.
— O, dat begrijp ik van ü best, maar dat is toch heel iets anders... Er zijn geloof ik maar erg weinig Amsterdammers die 't heel mooie, 't groote, van al de Amsterdamsche plekke kenne of gezien hebbe... zelfs onder de schilders heb je'r niet veel.
Hein was, bij 'n draai van de gracht, aan de rechterzij van Eva gaan loopen. Nou wou ie maar dat ze niet meer vroeg naar 't mooie van zus of zoo, en ze 'r aan zou blijven denken dat hij maar 'n gewoon w erkman was, die wel voor zichzelf 'n boel voelde, maar 'n heel klein beetje bij 'n ander daarvan zeggen durfde. En Eva vroeg niet meer, denkende aan 't vreemd-ontwijkende in Heins karakter. Voor zich zelf wist ze zeker dat ie heel goed al 't mooie kon zien, maar dat ie haar 't niet zeggen wou of zeggen durfde, omdat ie altijd weer maatschappij-ellende erbij zag, of iets uit z'n werkmansleven. Snel had ze begrepen z'n bescheiden gezwijg en z'n schuchter half ingestem met haar mooivinderij. Wat innig nu van 'm dat ie 'r nooit direkt wou verdringen en toch ook geen gelijk geven. En wat rustig liep ie nu naast 'r; eerst zoo heerlijk, kinderlijk beschroomd en bedeesd, langzamerhand vaster in stem, in gang. in antwoordjes. Wat stapte ie bedaard, ingehoüen tegen haar kleine pasjes in.!_En toch, wat onbekend voor haar nog, die jongen met z'n ernstig gezicht, z'n peinzen en z'n zachte, sterk getemperde verwijt-oogenJ Zou ie maar 'n beetje meer durven; zou ie maar 'n beetje meer zeggen en óók beginnen iets van zich te geven, ook al werd ie niet aangehaald. Maar toch heerlijker vond ze 't zóó nog. Geen woord zou ze meer spreken, 't Was ook zoo goddelijk mooi in die zilversproeiing van den maanavond, met dat glansrijp. Wel verlangde ze hevig nu, met al die geheimzinnige vonkboomen en tak-glanzingen, naar 't Vondelpark. Daar zou ie toch ook van staan te kijken. Ja, dat moest z'm nog maar even vragen.