94
Eva had 't heerlijk gevonden hem daar zoo te zien staan, op wacht, schuchter bij 'n stoep, tot ze den winkel uit was gekomen. Ze begreep wel dat ie 'n beetje onhandelbaar eerst zou worden, 't Moest raar zijn voor 'm dat zij met hèm 'n afspraak gemaakt had. Maar niets zou ze er van zeggen, zoo gewoontjes mogelijk blijven en_ maar stilletjes eerst naast 'm blijven voortloopen; niets vervelend.tO! wat had ze die jongensachtige verlegenheid weer aardig gevoeld; dat vreemd niet weten hoe om te gaan met 'n vrouw; dat bedeesde achteruitkruipen van z'n karakter, dat beschroomde leuk-linksche in z'n doen. Wat vond z'm stil en mooi nu, zoo gesloten-forsch zoo wilvast en toch bedremmeld^ Nou zou ze maar 'n end maken aan 't stille gekoester van hun zwijgen zoo, want te erg zou z'n verlegenheid worden.
— Wat heerlijk mooi zijn de grachte toch in zulk weer, hê meneer Hols?
Geklonken had haar stemmetje op stille gracht, welluidend-vol, klaar, vlak bij 'm. Hij voelde er zich geschrokken van, zoo plots viel haar vraag op 'm. Wat moest ie antwoorden?... Kon ie zeggen wat ie 'r van voelde ?... Misschien was dat al te mal.
— Ik geloof 't wel, juffrouw, — zei ie zacht nog.
— U gelooft 't? — lachte Eva nu, met haar zilverstem-keeltje even öpschaterend in lichten spot, — bent u daar dan niet zeker van ?... O, meneer Hols,... ik kan u niet zegge hoe goddelik mooi ik heel Amsterdam vind!... Er zijn hier zoo wonderlik mooie plekke!... en 't ligt hier allemaal zoo verrukkelik, niet waar?
jjrlein had geluisterd, stil. Er was geestdrift in haar geluid, en nu zoo vlak bij 'm, zoo alleen in de lucht, hoorde ie 'r in 'n ontroerende broosheid, iets wegsleepend zangerigs, vol bekoring als van 'n zacht zilver klokkenspel uit 'n dorpskerktorentje, zoo zoet goddelijk luiend in 'n schemerzomeravondj De woordjes hoorde ie zingen uit haar mond, soms even rustig staan blijvend in dat zangsleepende, en hoe sneller ze iets zei, hoe dieper, melodieuzer gegolf er opklonk uit haar stem. Die klank teekende, streelde vooruit al 't gevoel dat ze zeggen wou, omgolfde haar vlugge vergelijking, bracht iets zoo innigs en toover-liefs, dat ie 'r om huilen kon; om iets dat er soms lag in die stem, zoo murmelend, zoo ontdaan-droef voor zichzelfsprekend, toonloos bijna, en dan weer tintelend, welluidend woordgestreel vol zacht gegalm, doordringend-helder, dat in 'm bleef als iets hevig ontroerends, — en toch klonk 't zoo gewoon, zoo natuurlijk, met handgebaartjes en beweginkjes eruit gebracht, zoo nieuw, zoo verassend, iederen keer anders 'm pakkend pal in z'n hart. Nou vroeg z'm iets; misschien vond ie 't allemaal anders dan zij; en dat zou ie maar zeggen ook.
— Ja juffrouw, ik vind de stad ook wel mooi,... maar misschien heel anders als u... ziet u?... Maar ik heb 'r zoo weinig verstand van, ziet u ?... U kunt u allemaal verklare waarom dat mooi en dat leelijk is,... he?... ik heelemaal niet, ziet u?... Ik vind'r misschien heele malle dinge mooi in.