9i
viel 't verdonkerd-bronzen waaierspel van laatst zonnelicht, gesmoord doortintend nog 't grijs-paars kimgewolk. Midden in de lucht nog vaal weifel-groen, flauw, toch strakkig-wolkloos klaar. Scheepsrompen, in uitgewischte tinten, fijn wazig-blauw, bruinrood, met hard-groen, rood, en kopergevlek van stuurstukken, en 't stille touwwerk in toonlooze weving van draden, sluimerden mee in den bronstoon van 't smoorlicht. Alleen vlakte sterker soms öp rood en dieper blauw van uithangende broeken, met pijpen óp en baaien hemden, met halzen ónder, strak schuin weggespannen over roerlooze dekplatten. In de lucht wapperden zwarte, korte schuit-wimpels als rouwsein nu in den vriesschemer. —[Onrustiger zwierden aan, in wijê kringen, zeemeeuwen, plots in enger getol ronddrijvend op 't water, of vreemd-kalm op schuitrand neervlerkend, vlak vóór 'n vloek-keffend smousje, dat smal loopplankje niet over durfde.J
Aan den Ruiterkaaikant, naar 't badhuis, was ander luchtspel gezonken. In damp stond daar alles van diep-paarsgrijze neveling. Eruit wasemde zacht de scheepswerf, geheimzinnig in z'n berookte somberte als schaduw-burcht uit schemering gelokt. De Tolhuisboomgroep droomde in onzeker violet, als neerhangende zweefwolk, toch verdiept. Zilvergroenig deinde 't water dat er zacht omheen vloeide, en donkerend bonkte in de verte 'n boot, die dwars gevangen zat tusschen 't dok, als monsterwalvisch. Bijzij wemelden, in gulpende pijprijen, smalspitse en dik-ingedrukte booten, met witte of duisterend roest-oranje tatoeëering, tusschen 't wit-zwart gevlek van pijpen in neveliger licht.
Gepakt door die wondre lichtdaling, dan weer weggesleurd in z'n eigen gedachte alsof ie telkens door al dat zien juist dieper en dieper 't mensch-gezwoeg om 'm heen voelde razen, alsof er met 't licht-neigen ook zwaarder donkering drong in z'n ziel, liep ie verder, in rustiger denken toch aan z'n geluk van straks; niet zoo mal kinderlijk, dol blij meer, maar vroom-stil-getroffen dat er 'n mensch was, 'n vrouw nog wel, waar ie zich heelemaal voor mocht uitstorten, als 'm alles te veel draaide in z'n hoofd; die naar 'm hooren wou zonder verveling, al zei ie 't nog zoo hakkelend. — Opgelucht liep ie naar huis, met kalm geluksdenken hoe ie alleen werken zou voor die menschgroep, die stumperende zwoeg-proleta-riërs, waar ie ook zelf bij hoorde; hoe ie z'n leven er aan zou geven, al z'n geluk, z'n vreugde, z'n liefde, omdat alles zat in dién strijd, in die verlossing.
II.
Om acht uur 's avonds zwierf Hein al langs den boekenwinkel op de Leidschegracht. Telkens wou ie 't winkelraam met z'n stoep-indiepinkje in 't gezicht houên. Ging ie er voorbij, dan draaide ie zich aan 't end van 't winkelraam snel om en liep zacht-achteruit verder om te kijken wie inging of uitkwam, 't Volle maanlicht zil-