go
laag■ gezonken goudspattende brandlucht. Vlak voor 'm, in de hoogte, samengestut in zwellend en ingepuind steenvergroeisel, de grauw-grimmige, doorrookte viadukten, met oranjevuur-lucht reep-scherp vlammig erboven, als uit krijsch-muilen van de roet-grimmig bestoven leeuwen gebraakt. Daarin de glansgroene koepelkerk anders weer, in fijn uitvloeiend goud-paars opdampend, met nog hooger, ertusschen uitgedrongen huisblokken, gevel-zigzaggend in somberder stad-schemer-geel, soms, bij hoeken en grildeuken van achteruit springende pleisters, vreemd verduisterd in gebroken tinten. Zoo keek ie 't stadsbrok in met z'n laatste lichtglorie, tot ie weer snel de lucht, even buiten zonstreek, zag doorslierten van kleurwolkjes, bloedrood, als lichtend gedroppel stippeldravend naar rose karmijn, als wolkserpentine uitgeslingerd in vuurkronkelbochten over lucht-wemelend IJ-gewoel, in fijner zacht-rood wolkgekwijn van al kleinere groepjes 't heele luchtbrok van Ruiter kaai in kartelende lilakrans omsnoerend.
In één verrukking bleef ie kijken, tot ie, wonderlijk vergroeiend, snel achtereen, den hemel bij 't ouê dok weer zag versmoren in donker koperbrons, dat pas nog was paars-goud, rijk gevlok van wolkdons in 't half-rond horizongekrom, verspattend in lichtscheuren en krinkels, in smidsrood, staalvuur, wolkvlammen, dicht in elkaar verhittend achter zacht lijngeweef van mast werk. Van alle kanten weer zware damp vegen door de klare lucht, uit hevig aanhijgende, lawaaiende, losse lokomotieven en booten, rondspreiênd gas-zoetige steenkooldampen, die ie op z'n tong proefde, walgelijk-zoetig. — Vroolijk tintel-lichtten op spoorbrug, geraakt door zinkende stralen soms, buikketels van lokomotieven, tegelijk in rijen, vlam-flakkerend, geel-goüig doorschoten van zonval. Drukker werd 't wemelend gepiek, donkerder gesteek van kranen in dreighouding, van telegraafpalen, overal mal-smal uit den grond oprankend. Rondom érger klonk 't geratel van wagens en rijtuigen, gegil en stoomgepuf. Overal stonden werklui, hoog silhouettend de lucht in, op spoorbruggen, langs de kaai; één wilde storm van arbeid aan steigers en booten, met dieper gezang van pijpen, harmonika-achtig gerekt inzettend en aanhoudend in zanggestijg läng, läng, in zwaar harmonischen samenklank, soms schril tegen elkaar inzingend met stem-valsche zakkingen ertusschen, of kromatisch gezwel van ééntonige stem-klacht. — Dan weer plots, als vreemde verlamming van den kaai-hartklop, midden in 't zwoegwerk, stilte van kwartieren, waarin woest 't luchtdrama zich verdonkerde, smartelijker, wild-grootsch verzonk in 't IJ, stiller 't leven als vermoeid wegdrong achter den avond, die weer neerduisteren ging. — Bij 't westerdok was de lucht dreigend verkoperd, en er langs was geel-rossige schemer blijven hang-dampen boven vreemde werkmansbuurten achteraf, die schrei'lijk-vergrauwd in sombering neergebrokkeld lagen in de verte. — Schuifelend was 't aangekropen, donkere, paars-grijze wolkophooping, dik-log hangend, over horizonbrand, en bij 't water