Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



88

niet wetend waar ze zijn moesten, tegen den avond kwamen opzetten. En dan dat schijn-rustig en cynisch gepraat en geklodder over brugleuningen van al die verlui-de baliekluivers, schooierige lanterfanters en verstramd-oüe zeebonken, gewond of half verstijfd, die niet meer kunnen of willen in 'n gesticht, uitgeschoten, vechtend met hun bootje tegen de nieuwe konkurrentie van de platluis, die elke vijf minuten satanisch-zeker doorrinkelde z'n kettinggesar, en opslurpte 't grootste aantal reizigers. Wat zag ie, onder die woeste, gemeene en verdierlijkte snuiten, waar haat en vervloeking op gramden, in hun afgevreten vodkleeren en vreeselijk uitgekaald jassengroen en broeklappenbruin, soms innige, strakke gezichten, bolronde, goeiige zeemanskoppen, met levenslust in de grijze oogjes; optimistisch nog in hun ellende, snakkende naar frisch-wijê lucht, op breed watervlak nog naproevend 't zilt-zoutige van de zee in 't IJ-luchtgeprikkel; die zoolang maar voortsukkelen en niet willen wegzinken in de roerlooze effenheid van 't gestichtsleven, dat ze, zonder 't te kennen, beklemt, beangst, als 'n dichtschroeving van hun strot, 'n benemen van diep ademgehaal in de zoute, waaiende windlucht, en dan maar liever nog zóó, in de zwaarste weêrvlagen, onder hevigste koking van water en zwellingwind, onder neergieting van regen en sneeuw, hun zuur broodje blijven verdienen. Wat had ie 'r ontmoet, anderen, nog jong, die in vloek-wellust, verstompt, zich door hun ellende lieten aangrijnzen, als 'n noodlot op ze gesmakt, dat ze dragen moeten, in hun verstomping niet voelend dat ze meer kunnen eischen, nóu zich buig-knikkend en vriendelijk opdringend bij nette menschen, die liever sekuurder in de platluis gaan, in de pont, die minder ook neemt, dan zij, en waar netjes gëuniformd, met stuurmanspetje op, 'n andere loonslaaf, hautain-gepiept in goüen streepies aan blauw pak, neerkijkt op de zwalkende bootjeszwoegers, zoo'n beetje zich verbeeldend als platluis-officier hooger te staan dan de verschrompelde, half gebroken kerels; die kerels met hun ruig-rooie koppen, hun verschrikkelijken grijns op de verzengde gezichten en hun van ontroering stil makenden lach; 'n lach zoo bot, verstompt, zoo rauw aangeleerd, met maling aan alles, alleen dier-woest op centen, dat huilen niet erger zijn kon.i — Zoo langs de kaai zwervend, had ie 't overal weer gevoeld en doorzien, dat ontzielende zwoegen van één klasse, genotloos dóór-afjakkerend hun dag, of zuipend; in laffe guitigheid de heeren kittelend met grappen op hun eigen klasgenooten, maar toch altijd ploeterend; één menschgroep klaar voor 'n andere die liet doen.

En toch, de lichtdag, die daar voor 'm te zieltogen lag in z'n zinkenden gloed van zonneglorie, stortte vroolijkheid, diepe aandoening van reuzenkracht en leeflust in z'n ziel, om mee te vechten voor al die kerels tegen versuffing, voor de verschrikkelijke massa, die niet weet hoe beestachtig ze verbruikt, vertrapt wordt; de verstompten, die zelfs vloeken en razen als men hun slavenketens laat rammelen, dan uitkrijschen dat ze niet om hun polsen en gewrichten snoeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.