87
derenvervoer en booten met werkvolk, en breed'jes ging langzaam-lijzig de platluis in kettinggekraak en gestommel heen en weêr, van 't Tolhuis naar z'n steiger, brekend in stompen gang 't diepste waterpaarlmoer, uitdeinend, neerdrukkend kleurkrinkels, die weer wild terugkrompen als van anderen kant nieuwe schepen aanstoomden, of kleine bootjes kruisten, zóó levende warreling hielden in 't zachte glansgekabbel. Tusschen de golfbrekers, dukdalf-stijf verdonkerd achter hun broos-witte rijpkorst schommelden 'n paar roet-zwarte kolen-bootjes, klein-zwabberend als reuzenratten rond log-lijven van twee groote schepen. Er in sprongen kerels met pikzwarte gezichten en vreemd verwilderd oogenwit, tusschen glinster-roet van steenkoolstapels, opwerpend bij scheppen zwart fonkel-gruis naar boven. — Weer zakte de groenige lucht bij 't bruggeleuninkje waar Hein stond, ver aan den horizon, in zacht-rood en grijsgevlok, met doorheen-boring van donkerpaarse wolknautilussen in puntschittering van violet, kleurend 't IJ woeliger van ver, in smaragd-vloeiing, rond donkerend zwart-groene weerschijnen, lichter verglanzend meer naar 't midden, waar zinkende zonnebol vlak op uitschoot vuur-gouê slangen, met hittekronkel van diep-diepsten gloed, tril-spiralend neerzuilend 't water in, waartusschen zilverend golfweerlicht soms dóórfonkelde als in één rij verspringende lichtgloeiing, tot bij de steigers opklotsend in grilliger, wilder kleur, dieper brand val. En middenin bleef opspuiten wijêre slingering van vuurkronkels met lichtbrons van ringen er doorheen gehoepeld, als hevig uitgegooid door ondergrondsche kleurbron van waterfontein, éénmaal boven water, ver-vurend in kleur-wasem van vloei-goud en paarsdamp.
Hein voelde 't werkgedoe als 't ergste hiér, in die prachtwisseling van licht en dat aanzweven weer van avond. Sterker drong in 'm te zeggen hoe er gezwoegd werd, hoe ie 't zag buiten de fabriek, in weer en wind, aan de kaaien, door verharde, verbonkte kerels, doorzogen van drank, om vermoeienis en slapte te weren, of ook omdat ze, zoo lekker in 'n doezel, de ploeterramp maar half voelden. Rauw drong in 'm wat ie zag. Tusschen die pracht van zonneval, vlak voor z'n oogen, dat stompe gezwoeg weer, dat niet opzien naar 't weemoeds-stervende van 't alom, gepakt door zorg of verdienangst. QWat begreep ie dat schijn-vroolijke dollen en lachen van die groote, vereelte overzetters onder elkaar, en dat aanhalige lokken van nette lui, die over wilden in de platluis, naar hun bootjes; wat doorvoelde ie dat als 'n wilde smart van 't stram gezoek naar werk, dat bedelend gevraag om je over te kunnen brengen; wat 'n spot, als ie aanzag die gebruinde gezichten, die reuzehanden, de riemen pakkend en, met overhouênde kracht, één mannetje zachtjes over 't water roeiend. Vreeselijk, dat bedelen van die kerels, dat nijdige vloeken op de platluis met z'n vracht menschen, verkwijnen als ze zich voelen, geen uur zeker van wat ze hebben, alleen nog haat-heet om elkaar klanten af te kapen, die, onvasterig,