193
uitstuipen hun spot en venijn, meelij of goeiige neerkijking op uiterlijk vreugdegeleef van die stakkers. Want zij weten niet, beseffen niet, hoe heilig die dag hem is, heilig, heilig; met 'n luister omstraald van grootsch-innig natuurgebeur. O! als hij hooren bleef dat spotten, wat zou 't in hèm schreien van geluk dat ie zoovelen kon opvoeren later, tot meevoelen en doordringen. Al gespreek, al samenkomst en opgezwiep, gestriem en gekletter van woorden over dien heiligen dag waren nog maar zwakke verklanking van dien stillen, diepen, oneindigen jubel, die er leefde en zonnevuurde in hun oogen, in hun binnenste, hun kijken, elkaar beademen, beleven; in den schok van ontmoeting op dien dag; in de stille maar ingriffende herkenning van oogen, handen, zielen die gingen één weg in verbroedering van 'n klasse; die dan woordloos, spraakloos leefde, gloeide van geluk, of soms weer luisterde, juichte naar woorden die hun jubel besproeiden in dauwparelen van nieuw leefgeluk. Want zoo voor één dag, midden in dat heilige feestgevier, viel weg somberte van droef-eigen bestaan, van haat tegen uitzuigers en neertrappers van hun leefdrang; viel weg woede tegen schuim dat zich opdrong uit hun klasse, verdierlijkt door lage vergroeiing en wrok, vertakking van 'n leven dat weggemaaid in z'n ziekte-uitwas beter moet, beter zal worden, door eigen hooger voorbeeld, door betere omgeving, inniger en gelukkiger door beter bestaansmiddelen.
O! één Mei zou gaan niet alleen door hèm, maar door alle rijen van 't zich kennend wereldproletariaat, als 'n stroom van ontzettende vreugde, van frissche, jong geboren levenshoop; koesterend ideaal, dat in zon-kleur warmde, vol magischen gloed, hun strijd, hun worsteling om geluk. Nou juist voelde ie weer dat ze elkaar zouden zien, begrijpen, doordringen, doorleven zonder woorden al, alleen in terugkaatsend oogenlicht dat sprak, door gezichten die juichten. O! dat gebaar, dat grootsche, geweldige opmarcheeren van 't Volk, die macht, die ontzaglijke massa, oprij end uit 't donker in 't volle, joelende schitterlicht van de lente, die dreunstap van allen, met dat hevige rhytme doordreunend de aarde, dat was te höóren, te zien, te voelen; dat was geen hersenschim, geen brandend spel van verbeelding, geen opgloeiing van toevallige geestdrift, maar staag, elk nieuw jaar sterker stroomend gebeur van echt zwellend leven onder zijn klasse, die al grooter en ideaal-rijker levens uit de vijandige tot zich trok, in betoovering gelokt door 't licht van hun ideaal.
Ieder, alles zou doorvoelen, die geleefd had als hij, dat heilige kloppen van de vreugdepols van zoo'n proletarische massa; ieder kon hooren dien rhytme-dreun van hun stap, die hevige maat, die kadans van hun jubel; ieder kon ze ontroerd zien luisteren naar stem-zielen die midden op 'n wei in 't volle zonnelicht van den dag daar zouên gaan vertellen van hun strijd, hun feest.
Nee! dat was geen louter begoocheling, geen opwinding; dat was meer dan opgedrongen sympathie. Want zoo hoog als ging