194
de galm-golf van hun opstandingslied, zoo hoog stond hun ideaal van Recht, dat ook was een voor schoonheid, voor reinst-hoog menschelijk leven.
De diepte, 't vuur, de geest en uitlaaiende kracht van dien strijd was saamgeweven met den jubeldag van Mei, die maand van wondre ontwaking, van leven, hun strijd symbolizeerend, onbewust, van uit 't donkere, grauw-grimmige winterleven naar licht, al licht, ruimte, zonnekoestering en goud-blauw van lucht en aarde. Nou jubelde 't in z'n ziel dat die massa ging eischen meer licht, meer genot, hooger, rijker, ruimer leven, vooral gezond, grootsch levensgenot voor lichaam en ziel.
En de groote strijders in dat leger van proletariërs, hij voelde dat ze zullen schateren, fel, om stemmen die schreeuwen van afgronden graven tusschen hen en dat leven; dat ze zullen schateren om allen die ze af willen houên van dien strijd; menschen die hun met kritiek, met glimlach, met spot, laster, jaloezie vervolgen, verkleinen, vernietigen willen. Want ééns zouên opstaan uit hun midden de grootste werkers met ziel en geest, en aan alle kanten zich moeten uitspreken. En al zal geniepig venijn van in strijdgewoel omver-getrapte stumpers, nietelingen en jaloerschen afgronden willen graven tusschen hen en dat volk waarmee en waarvoor ze leven, schijn-afgronden van verschil in geestgroei; diep voelde ie dat bóven alles toch de ziel zal te herkennen zijn, voor elkaar, de stem van dat leven, die waar, grootsch, zuiver zal blijven klinken tegen valsch geroep, stemmengekrijsch van leugen, laster en nijd in. Want al personengeworstel raakt onder den voet van 't almachtige wereld-proletariaat, op zijn weg naar sociaal-demokratie; 'n reuzegroep die 't eerst 't opstandingslied van nieuw leven liet hooren, omdat ze aan alle kanten door dat leven gekroond werd: met haar verbeeldingen, gevoel en levenskonceptie aan den kant van't hoogst ideale, met haar kennis en wetenschap aan dien van de zuiverste en rijpste werkelijkheid.
Zoo klonk nu voor hém 't preludium van 't Opstandingslied der proletariërs, bezingend die alles doordringende, 't heele leven inslurpende macht van 't socialistische ideaal, de grootsche toekomstreligie van Nieuw Leven.
En al voelde ie klaar dat nu nog, zelfs onder hèn, veel geluk begrensd werd door individueele lotgevallen, in die toekomst zal de hoogste gemeenschapsliefde 'n groot deel van persoonssmart vernietigen, zal zij ook doordringen en vervormen ikzucht, die nu nog vastzit aan liefde; zal de menschheid opgaan in al grootscher gang van leven.
EINDE.