Alles voelde ie gaan gloeien en juichen, door den Mei die wegdreef donker winter-dreigweer, den Mei die nu ging omtooveren de donkere aarde, de dreig-duistere levens, die ging sieren en kleuren, begeuren en omstrooien met lichtgloed al wei-geleef en groenend fluweel.
Nee, alles, alles zag ie, voelde ie, hijgde, weende, lachte weer in 'm. En zijn Eva, die i n 'm luisterde en lachte en zong en schreide soms, zijn Eva, wist ie, doortastte z'n geluk... Zou zij voelen wat 'r zoo diep in 'm snikte, nu iedere Mei kwam zeggen, luider, luider, wat hij brengen wou aan geluk, aan leef-heerlijke rust en genot, aan zijn klasse?... Ja, zij hoorde hem, zij wist, doordrong dat 'tin 'm was geen los samenvallen van enkel natuuijubelen met zon en kleur, maar ook zon en kleur en vuur en gloed voor die arbeids-zwoegers!... Och, kon ie alles zeggen wat er nu in 'm brandde!... maar zij, zij hoorde 'm, z'n heerlijke bruid, z'n jonge liefde.
In den Mei klonk 't opstandingslied van de heele natuur, klonk en ruischte er lentezang vol zwellenden jubel, in klaren atmosfeer doordrenkt van jeugd-geur; ging sidderstroom van herleven door al dingen; sloeg kleur en licht uit de donkere aarde, en alles brak door, schoot uit, ging in statigen groei opwaarts naar wijê luchten in hemelblauw, zoo diep, zoo wijd en zalig. Alles stortte zich uit in groei-jubel om wat versmoord en dood had gestaan op veld-sombe-ring, onder gesloten dreighemel, loodzwaar. En nu ging openjubelen heel de sombering van wolkstoeten, verdrongen wijd alom in lichte ruimte en blauwe heerlijkheid. Dat opstandingslied zong voor hem, juichend of zoet, preludeerde in de luchten, in de takken, en óp kwam dan, voor 'm staan, wat nu zou gebeuren; óp rij'den voor 'm die manneborsten, die vrouwen en kinderen, al wat zwoegde en smartte 'n heel jaar door, in fabrieken, in mijnen, in krotten; al wat slaafde in al vormen van knechtschap; die allen dreigden óp in rijen, en voor die allen zong nu dat opstandingslied. En dóór die wilde jubeluitstorting en öpklanking van hoogste, heiligste geestdrift, zuchtte en snikte in zachtere melodieën, klagelijk, pijnlijk, diep smartelijk, dat er naast geestdrift smart was, diepe, onzeglijke smart, ellende, waarvoor gevochten moest worden. Maar één Mei moest gaan over de hoofden der zwoegers als 'n vizioen van stralende lichtheid en jubel; één Mei moest die verdonkerde wereld van slaven belichten in één zonnegloed van levenskracht, als brandde óm hen schijnsel van goddelijkheid; één Mei riep in 'm op die rijen in grootschen jubel; rijen die wisten niets te zullen winnen dadelijk met hun worstelen; maar hun kroost, geslachten na hen, na hen, die hun jubel nog zouên hooren, hun lévensstem, als zijzèlf al lang weggesloofd waren van de aarde; één Mei zou worden hun levensjubeling, grootsche uitstorting van strijdliefde en mensch-liefde. Toch hoorde ie lachen, maar hij zou ze sar-koel laten lachen die andere menschen, die lachten om hun domheid, opgewondenheid, dweepzucht en ideaal gespeel; hij zou ze laten lachen,