igi
d i e me allemaal uitlegge, hoe jij 't zuilie hèt gezeg... ja, is 't goed voor allemaal.
— Nou — strakte Hein, nog norsch, — al had 't dat niet alleen moete zijn, toch ben 'k blij dat je je tange neerlegt. Al zijn d'r
maar tien op de heele fabriek,____als hun koppe maar opegaan____
Bij die zijn nog wel die 't ook doen... niét om hun kamerade, maar om meer vrije tijd.
— Dat is 't woord niet!... ik wil ook verandere!... daar-nie-vän maar jia, de rechte shoort voor me vrous! — teemde Kiehl week terug.
— Seg, wat hei je 'n haóst, Hols! .. . mó je naa de Vic!. .. fikke!. .. boe!, .. boe ! ... wat maók je 'n beene!. .. hê, seg!...
II.
Hein holde de fabriek af, vreemd-geroerd nog door lichtklaren dag. Ruim-vrij op straat, haalde ie diep adem. Nog kon ie maar niet gewennen aan die dierlijke laagheden. . . Née telkens heftiger bruiste in 'm op, dat alleen door ontwikkeling van zoo'n bende, door aansluiting, 'n hooger gevoel van mensch-zijn kon opgewekt worden. En toch, nu ze zoo vlak bij was gelicht, de Meimaand, de eerste, het groote feest van de arbeiders, nu zou ie niet alleen zich verbitterd voelen, door wat 't schuim onder die proletariërs deed. Nee, vasthouên zou ie, vasthouên al wat er goeds in die andere borsten gloeide; nieuw leven moest geven. Nee, nu niet en nooit zou ie houên van die opgesmukte, valsche frazen; hij wou ook nu nog alleen doorlèven wat werkelijkheid was voor z'n ziel, wat vastgemoerd stond in levensgrond. Want alleen door 't bloedende léven, dwars door ellende, vertrapping en liefdedrang, onkenbaar en diep, was ie tot 't socialisme gekomen; in hem was die stem gaan klinken door 't leven, 't volle leven; door z'n eigen menschgroei.
j*En nou, dieper dan uit alle boeken bij elkaar, had ie de aandoeningsschoonheid, de geweldigste, de machtigste van dat socialisme ondergaan; zat vast, lijf en ziel, aan dat nieuwe evangelie, waarvoor ie gesmoord had de knaagstem van eigen smart. En nou, nou liep ie naar huis in jong licht, en blijheid schokte weer in 'm op dat ie zoo rustig goddelijk kon blijven denken aan z'n Eva, z'n jonge, heerlijke liefde, en niet in 'm onder waren gegaan z'n proletarische hartstochten, z'n lust tot studie van levensfeiten, nu ie alles door eigen zien had meegemaakt. Ja, zacht zou 't weer in 'm juichen gaan, nu nieuw leven van lentegeluk op 'm afkwam, nu dat geur-rijke 'm omzoende en omspartelde met herinneringsgeluk en z'n, in 't stil-heiligste-van-z'n-gedachte, altijd i n zich hebben van haar; lentegeluk dat om-strooien ging de massa waar ie bij hoorde, die kruipende, snikkende, worstelende massa, die massa van vloek en dierlijkheid, die massa van slaaf hartstochten, wegvalend in levensschemer.'l