Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



190

hoek in, helpend 't mannetje, wiens kop nu aschgrauw stond, mara-bout-knorrig. Achter Hein stond Lemminga, die niet mee had gedaan. Naar hem en Mie schreeuwde Hols:

— Wat 'n verrekte vuillakke!... wat 'n diere bin jullie toch!... hoe kan 'n vrouw zoo beestachtig te keer gaan!... as ze tenminste niet 't grootste loeder is!... nee dié doet nog zooiets niet eens!... verdomd!... schuim bi jelui!... hoe wille zich kerels als Hense en Beel voor zooiets leene! schuim binne jullie!

Beel, uitvaagsel-kerel, met rauw, afstootelijk gezicht, vechtersbaas, die z'n beste argumenten altijd in z'n vuisten had zitten, wou opstuiven; maar hij kende Heins herkulische spierkracht en vlugheid.

— Watte !... één-vaaftig!... sóó maar fèdiend mit wedde da se lui d'r nie deur ken!... één-vaaftig en 'n broodje mit kaos ? — lolde ie, toch lach-nijdig op Hein dat ie 'r zich mee bemoeide, — godverdomme... 't sijne je sake nie!

Onder 't spreken had ie pappig speekselkeesje uit mond in z'n hand gespogen en zacht voorzichtig op de punt van 'n vuil-verhoekt vijfpondertje lood geschoven, afschurend met z'n hand vlak erlangs, nog vastklevend draderig pruimpjes-drab. Toen inzuigend borrel-vocht, schreeuwde ie ruziemakerig, smak-lekker, proefslikkend, zuinig-lang, toch bangelijk onderdrukt 'n beetje:

— Een-vaaftig!... mó je nie uihvlakke, seg!... sa je nie tussche je duihme vloeie!... lus je me keesie, luisige kroegsociaöl?

Jeneverkom had ie weggeschoven in molenkast, en grabbelgauw, hartstochtelijk, met roetvingers omspat van diamantsplintertjes, schuurde ie z'n keesje weer van loodbrok, uitgeulend bruine sap-drab op hoopje, kwak-vlug in z'n mond 't opbergend, rustig-bultig lekker in kaak-hoek, met tong verschuivend waar 't warmpies gezeten had.

'n Rijtje knechten stonden zich in blaasgespuug te wasschen, met opgestroopte mouwen. In hoeken werden kielen uitgegooid, pantoffels vér weggeschopt in geschreeuw naar potjongens toe, die in vaart den rommel moesten wegbergen; doppen en werk naar brandkast bij machinist. En overal, onder opstapeling van melkblikjes op molens, rinkinkte rumoer tusschen wasch- en kleedgeploeter door. Met verdrietig gezicht kwam Kiehl opdringen.

— Wat zègg jemedaavan ? .. . e klohk van vijftie shente . .. jawèll!... ze hebbe me zóó e boel gezope mit mekaar, dat 'k vhier en e kwhart ken bethaale!... e khlok van vijftie shente!... nóh!... me vrou za me lief hebbe as 'k 'r verthèl!... nóh!... e khlok van vijftie shente!... mot 'k me daar vhier en e kwhart bethaale!... Zeg Hols, ik heb 'r thóch over nagedach... ik bin je man !... je hét intersiek glijk!... ik werrik nie op één Mei.

— Zoo!... is 't je duidelijk geworde? — zei Hein strak-weg, — dat 't toch je eige belang is.

— Juis!.... zooas zuilie, Seis, Wikkers en-ne .... hoeheetie .. . e ... op de derde kamer zit ie ... é-éé... Reste!... en Lemminga... afhijn mit z'k thiene in de kathien staane ze te strijê, — zoo as

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.