Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



trok Mie, beefwoedend nog van span-getrek aan 'r lijf den heelen strijd lang, voor 't eerst haar rokken los naar zich toe. Beel en Hense zagen, in zinzwijmel van dierpret verkleurd, dwergjes verslapping en terugschrompeling niet eens. Hense had Jantje buikbloot gemaakt en Beels tangsleutel gegrepen, metend door oog, schaamdeel van 't kereltje. Mie, in hysterisch geprikkel, zat toe te kijken met kwijlenden lachmond, in giftigsten haat tegen 't mannetje dat haar zoo had tentoongesteld in onderbroek-naaktheid.

— Godverdomme, waêt 'n paordelul nog foor soo 'n drrol!... se kop ken d'r nie door!... godmieterme, verlore!... krijg de siekte! — hitte Hense.

Giftiger wraakzucht gierde op in Mie; blonde haarbol was losser uitgevlecht met nieuwe stoeiing in pracht van goudval; heel haar zinnelijk gezicht duivelde verhit in koppenvlam, gekrijsch, met al nijdiger woede tegen 't dwergje, dat haar had tentoongesteld, haar, en nou, met gesloten oogen, vreemd, uitgeput, herrie over zich heen liet duivelen, onverschillig verslapt, bleek, ingedrongen, als spokig lijkie.

— Verdomme!... sijn juilie kijrels? — duivelde Mie, met iets als gehinnik door haar lach-schokkende, hysterische stem, — maak se lat roetzwart!... hier, daar hei jelui swartsel!

— Mooi Mie!... mooi!... bravo Mie! — krijschlolde 't uit alle hoeken, — jij bint 'n maid!... 'n engel in bed!.. jij mag me suihge!...

Achter molens, tusschen riemgewarrel in, werd gedrongen, over brugleuning heen geschreeuwd, gevloekt in razernij, verdoovend even sidder-zang van machines, onder dol gegier van potjongens, die uitstuipten hun lol. Met d'r tweeën, Hense en Beel, besmeerden ze met olievuil en roetsmeersel 't schaamdeel van dwerg-man, die nu, met armpjes los langs hoofd gestrengeld, roerloos zacht te hijgen lag op vuil-grond. Wilder gierde Mie, die gehurkt op dwergbeentjes zat, met vuurrood zwelhoofd, in blond haarval-gezwaai schud-dansend in volle lijfsvracht, aansporend de kerels in heftiger gilgespreek.

— Nou mot ie op de mole te kijk geset! —krijschte ze in wilder hartstocht-woede op 't dwergje, — ze motte 'm sien!... allemaal... se swarte klepel, en se swarte ballestel!

Maar plots ging stopbei... Schrik-kijk ging van groep tot groep. Wild stopte Hense Jantjes rommeltje in de broek, duwde Mie weg, die achter in den hoek tuimelde, haar-los, dwergje pogend weer op z'n beenen te zetten. Inéén zakte ie tegen de molenbank.

— Seg mieterstraal, motte we je vasthouë ?... hei je g'n latte in je kont?

Maar Jantje die, blij toch dat z'm geen pijn hadden gedaan, wel staan wou, kon niet overeind blijven van de dooie suizing in z'n beentjes, door 't neerdrukkend geplet van Mie's lijfsvracht.

— Hellepe jullie me effe....

Hein was weer opgehold, de brug over, hoorde nu, door vreemd-stil machiengezwijg, klaagstemmetje van Jantje. Wild holde ie den

II. 26

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.