Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



87

— Nou beste Goliaèth... f'r de dag d'r mee... uit-je broekie, me jonge!

Krom schuifel-angstigden dwergbeentjes achteruit naar leege molenplaats van Kooste; er zat woeste schrik in z'n rooie oogen; niet om te laten zien z'n schaamdeel, doorstriemd van lolletjes als ie was, maar uit angst dat z'm pijn zouên doen, iets wreed met 'm voor hadden.

— Seg!... bi-je bang, lulleputter, of hei je n'm afgeschroefd? — dreigde Beel, — kom Hense... help es 't goliatje d'r uit hale.

Met hun tweeën waren ze op Jantje toegesprongen, die plots in wankel-angst naar Mie was gestrompeld. Maar Mie, niet omziend, woedend dat ze gehinderd zich voelde in 'r jachtende afma-kerij, trapte 'm opzij, dol-kwaadaardig, tegen z'n hoofd, 't Dwergje, slij derend half langs den smeergrond, haakte zich vast in haar rokken, bang voor de twee knechten die in lach-lol op 'm aangedrongen stonden.

— Verdomme!... dat is me ook ê mooie!... 'k sit mï-me laaste doppe!... donder jelui die hoek toch uit! —■ gilde Mie en giftte met haar zwartselhanden tegen Jantjes waterhoofd, stomp duwend 'm weg van haar rokken, voeten en handen tegelijk. Beel en Hense, kennend Mie's drift, en 'n gemeen lolletje voelend aankomen, hadden zich naar 't dwergje toegebukt.

— Haól je pikkie d'r effe uihht!... kos je g'n duihht!... we doene je g'n spier!... effe mete maor!... kom laserstraöl, wees niet soo koppig!

Maar Jantje voelde heviger benauwing voor pijndoen, geloofde ze niet. In wanhoopsnik knelde ie zich krampender aan rokken en voorschoot van Mie, met knel-giftige opgeloopen vuistjes. Beel had 'm bij z'n polsen gepakt, maar giftig beet dwergje 'm in z'n handen, tot ie door zwaren mep op z'n snuit afliet. Hense greep naar z'n beentjes, die trampelden en hakten in vinnige zenuwdrift.

Help mee, Mie! — lolde Hense, — hij trek je je rokke va je kont!... d'r mee staö je naökend!

Stik-woedend, vol giftwoorden, die 'r niet uitkonden tegelijk, rukte ze aan haar rokken, met eiken trek zenuwkarkarsje van dwergje meeslijde-rend; maar knel-heviger klauwde en haakte ie vast, kram-hoekend z'n lijfjein driftangst. Beel en Hense, die lol hadden in z'n verweer, wetend toch dat ze overwinnen zouên, worstel-lolden slapjes tegen, 'm speel-losjes grijpend en optillend, waardoor meesjorde hóóg Mie's rokkenboel. Telkens lieten ze vrijer even wegtrampelden z'n beentjes, pakten 'm dan weer knellender bij pols en voeten, wipten 'm op, meesliertend al Mie's rokken, die in draai-kronkel kreukeldiep kniestrakten; in zwenking dan teruggaand en 'm weer opwippend hooger meetillend been-wijer onderspul van Mie, tot ze wit-plooibroek heupig, vreemd-gemeen in 'r broek kwam te staan. Mie, in vuurrooie gift dat 't dwergje haar zoo te pakken had, stond tegen 'n hoek gedrukt 'm af te stompen, of sloeg fel met haar vuurtang op z'n knuistjes, die gloeirood bloedden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.