putterig kinderkarkasje. Z'n waterhoofd verzakte nekloos in schouêr-diepte en z'n uitpuilende, scheeve oogen, waarin uitdrukking van leef-verdooldheid dwaalde, lodderden koeiig groot boven zwaren neus, die trillend vleugelwijd lucht ophijgde, als van 'n opgejaagd beest. In z'n gezicht knorden wijsnorsche trekken, marabout-stug. Armpjes hingen kortbreed langs z'n zij en reuzenoorlappen, ver van 't hoofd afgebogen, stonden als luistertrechters wijd-uitgehold recht-op, wèg-willend van z'n lichaam, als op-zich-zelf levende organen, die ie met ezellange beweeglijkheid, in spierlooze strakking van heel z'n gezicht, kon laten trillen, vleesch-beverig öp en neer gaan. Z'n kaal geknipt, witblond hoofd, logde als verkuilde gehaktbal, levend be-kleurd met fijn adertjesgebeef van ooren langs voorhoofd, lichaams-karkasje van kindje bevrachtend.
'n Versteller die juist wateren ging, had 'm 't eerst in de gaten.
— Daar hei-je Jantje! . .. hé, hier! .. . help me 'n handje! .. . kom hier! ... ik mot sijke!. ,. Jésis, ik ken nie, de emmer is weer tut an de rand!
De pisemmer stond vol; maar gloeihaast was er bij laatste doppen; slijpers wilden niet verstellers eerst vier hoog laten afzakken.
— Sijk dann maor hier tége de muur! ... godverdomme, gain tijht!. . . laat de emmer leeggooie kerel!
— Hou je kut op mêkaar, schreeuwleelik! ... ik doe 't temèt.
Klater-raak dampte z'n urine den hoek in op drabgrond in open
zaal, zonder protest van afgezenuwde, in stikvuil verklevende werkers, doodop van kijken, blij dat versteller niet afstapte naar beneden. — 'n Eindje van Lemminga, waar ze elkaar geraakt hadden met koperen steeltjes en papiervuil, was gooiworsteling losgebroken. De begooiden hadden 'n paar ons kleine biscuitjes laten halen en kwakten telkens uitgekauwde proppen tegen gezichten van eerste ruziestokers en smijters. 'n Groep was 't juist, waaronder den heelen middag hevig stille werkkoorts uitgehit had, maar nu bijna af, losbrak in overspannen zenuwlol, tegen elkaar inrazernijend.
Bij 't doorlooptrapje afstappend, kreeg dwerg-Jantje van drie, vier kanten tegelijk biscuitzuigsel tegen z'n oog en groote blanke konen gekwakt. Met breeën, knorrigen mondlach, greep ie plakkig kauwsel van z'n wang, luchtigjes brijklontjes van z'n hand wegsliertend tegen den grond. Vlak in den hoek achter Hein was ie aangeland. Kooste was weg en Mie stond op heete kolen, in koortsjacht laatste doppen af te jakkeren.
— Jantje! — lolde Hense, die 'm in de gaten kreeg,—vemiddag motte we je pikkie nog mete... ouê Goliaèth!... of je wil of nie!... gladjaès!... de maat van je pijp laèk motte we hebbe!... wat seg jij Beel!... as die door jou sleutel past, daèn... daèn heb 'k me weddeschap gewonne.
Jantje lachte in breed mondgegaap; knorriger plooiden stugge wijsheidsgroeven om marabout-neus-mond, in lichtelijke verbleeking van gezicht.