Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



181

te bezabbelen in speekselsloot van mond, dikker, uittranend oogen-vuil, vertuite onderlip, diep-gleuviger verwrongen in smart, onder vale verbleeking van koongrauw. — Lemminga schaterde dat ze zoo gulzig de gloei-duit had opgepakt. Maar ineens schokte huil-meelij in 'm, om z'n eigen laagheid, toen ie keek, lachstuipend nog van lol, op 't met hevige smartpijn doorschokte geel-grauwe gezicht van bedelvrouwtje, waarin uittraanden zw־ellender oogen, in smartelijk angstgekijk naar opgeschokte, weggerolde negotie, huil-zoek-starend overal heen, roerloos toch in lijfsmart. Zelf kroop ie nu vlug op z'n knieën, zich vouwend tusschen voeten, stangen en riemen, in krulling van lichaam overal doorheen wringend, grijpend rond in vuil en pruimplasjes. In wilden greep, alles schoonvegend langs z'n kiel, smeet ie elk stukje weer terug in d'r mandje. Verstompt, spraakloos zabbelde Saar nog door op 'r hand, telkens roet-vuile vingers bekijkend, waarop blaren getrokken waren, bollig-wit-week. Toen ie alles wat weggerold was ongeschonden nog bijeen had geraapt, gaf ie 'r stil-lachloos 'n gulden, en duwde 'r nijdig opzij, met 'n woede-vloek, woest omdat ie zich weer week had voelen worden, hij, kerel, die toch godverdomme wel 'n pretje mocht maken, vloek-woest tegen zichzelf dat ie zich betrapt had op lage wreedheid, toch Hein, die 'm aankeek, in starren trots negeerend.

Zang-falderaa's slingerden weer melankoliek in sleepgalm door werkzaal, tusschen snikkender dreun-zuig van machines. Zonbrand was afgezakt naar lagere verdiepingen; koelere luwte donkerde onder tuimelramen.

Bij 'n pit stond 'n magere potjongen soldeersel te gieten in lood-lepel, telkens, op 'n oud brok schijf, plaatjes in den bluschbak afstootend. Soms keek ie staar-angstig in 't helder kokende soldeer-vloeisel, als ie uit den bluschbak mislukte plaatjes over wou gieten met hoofd opzij, bang voor kokende spatstralen in gezicht. Heete loodstank dampte z'n hoekje uit.

Weer stond hoog op de brug 'n joodsch koopmannetje, met 'n klok en kandelabres, uitbronzend tusschen kleur vloei, onder z'n arm. Snibbig vroolijk stond z'n gezicht, vooruit al wetend wat ie te hooren zou krijgen. Voor Lemminga's molen bleef ie staan, buigend over de leuning van brughoogte, luchtig snel vertellend dat ie ״nog èvietjes e prach-klok wou verlohte, vhijftig lootjes, vhijftie shente de man", — wel wetend dat Lemminga de gulste van allen was.

— Da staot nie stil, saènsodemiéter!.. . waèt ê gelaóserstraöl de heele daèg! .. . krijg de koors en ga deur!... klop nou ereis an bij 'n ander!. .. laö mijn mit rust!.. . — schreeuwde Lemminga van z'n molen terug.

— Mit ruhs ?!. .. Uwes zal uwes ziel d'r nie mee verlieze! — lolde luchtig-schreeuwerig 't googem-klein koopmannetje, — vhijftie shènte 'n loohtje!. .. die ze hèt, hèt e prach-klok mit twee prach-stuks kandelare.. . voor vhijftie shente! .. . die ze trek, hèt 't geluk !... noh, voor vhijftie shente!...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.