18o
kend joodsch vrouwtje. Dan weer met oogenhaast, vlug-heet, Hense, die toeschreeuwde Lemminga:
— Se het se nie meer!... d'r prut is toegenaöid!
— God-verdikke-wat'n swijn — lach-tandrijde, Mie, — d'r pru-hut is toe-hoe-gegroe-oeid!... ha-ha-ha!... ajakkes!... laa jelui 'r toch mit rust, 't wijf!
Hense piano-de haastig z'n doppen af; al 'n uur zat ie, door zang- en schreeuwrumoer afgeleid, op 'n nieuwen Bijbeltekst te broeien. Eindelijk had ie 'r een te pakken, maar onder lawaai wou ie niets uitgalmen.
Lemminga, naast Mie geleund, grabbelde in z'n portemonnaie, schuw-haastig 'n halve stuiverstuk in verstel vlam schuivend. — Mummelend schuifelde voort bedel vrouwtje, met angstiger gekruip van trekken om oogen en mondhoeken, inslikkend woordgekauw, naar de lachers toe, blij dat ze nog 'n vrouw zag, telkens versjok-kend van dij op dij zwaar negotiemandje, treuzelend bij iederen werkman met zeep.
— We hebbe geen luise!... nie noodig!
— Zar-iewes-gezonth-brijwe, — deemoed-griende haar stem en beveriger gekruip van oogtrekken en mondhoeken kwam rammeien haar tanig gezicht, waarop, onder oogennat, nu uitzwartte behaarde wratten-walg.
Hein, al gewend aan dierlijke uitbarstingen van lol, opkomend soms nog onder de beste kameraden, verzette zich niet meer tegen vuile streken, wetend z'n onmacht. Heftige instinkten en wreede driften had ie zien werken in allen bijna, ingelepeld als 't ze was van potjongen af. Maar 't gezicht van 't bedel vrouwtje, weggeduwd en gestooten tusschen rij-knelling van slijpers en verstellers, toonloos woordkau-wend bij 'n leegen waterhoek, maakte 'm ziek van meelij. Die kruiperige onderworpenheid om angst te bedekken kon ie niet langer zien. Woedend riep ie Lemmiga toe:
— Pest die vrouw toch niet langer, Lemminga!... geef'r wat of laat'r gaan.
— Ik pes nie! .. . saénsodemieter se staót te rotte f r je ooge! ... of god-sa-me-an puin hakke! — lachte ie, met z'n rug naar Hein toe, onderhands met vuurtang 't gloeiend gemaakte halve stuiverstuk op verstelbank schuivend.
— Ta wijf, paèk an!... maor kwiek, en donder op! — zei Lemminga droog.
Saartje, nu met scherpen lichtglans in betraande lodderoogen, greep gulzig naar 't geldstukje, dat blauw-dof, zacht venijnig lei te rooken. Maar in schreeuw-zwaai slingerde ze 't muntstukje uit haar hand, opschokkend van krom gebogen steundij uit negotiemandje zeep, veters, spiegeltjes en pepermuntpijpen, die neervielen en wegrolden op grond onder molens en schijvenrek. Met heftigen pijnschreeuw en hand in mond-natte zabbeling, had ze gekrijscht, woest-smartelijk:
—■ Addenojêrekijne!!. .. wild stond ze stamp-huilend haar hand