78
— Heb nou 't hart in je mieter en lap 't me weer!... as se god-sal-me-lasere om séve uur hiér sijne, drijft 't sekreet al om halt acht!... lek juilie nou maar de plank schoon... verstaan rotsmoel! ?.. heb 't hart en lap 't me weer!
Langzamerhand begon af kookdamp te luwen; neerslag zoog nog door de werkzaal, en doffig zuurde vocht op de ruitjes. Van alle kanten schraapte en kuchte keelgeraas, kittelend aanstekerig langs de rijen, stond nijd en haat op zweetkoppen van afmakers.
Lemminga, die weer 'n poos voor drie doorgewerkt had, zonder één woord te hebben gezegd, fluimde in sis-vaart 'n slijmkatje tegen balkzoldering op, lach-giegelend dat ie zoo ver geraakt had. Seis, naast 'm, probeerde 't onder zwaar lach-lijfgeschud ook. Schaperig-scherp rochelde ie slijm op, maar in te zwak weggespuw, raakte ie nét den molen van 'n ander.
— Steek de moord! — gilde die woedend, — wie kotst daar se long d'r uiht ?. .. pas op, of 'k laö krijt haöle!
Lemminga, lacherig nog, wou Seis 't nog eens voordoen. Kuch-langzaam, bijeenhoopend slijm in z'n mond, rochelend met holle inzuiging van wangen, schoot ie, sis-snel, in blaasvaart 'n tweede slijmkatje tegen de zoldering op, dat vlak boven Seis' molen bengelen bleef.
— O semaaje! ... wat raak! — lachte de andere in starre bewondering.
— Je mó nie spüüge, — onderwees Lemminga, — blaöse mó je ... eers op de punt vaèn je tong ... sóó ... juihs, sóó ... en daèn flop, d'r uit... Seg... hei jij nog waet te kikkere? — Saèn-sodemieter, daör hê je weer 'n jodewijf!. .. die komp bedele, sa'k de pes krijge!... hé!... het de pertier geseit da je hier op maèg?... gister bi je hier ommers pas gewees, saènsodemieter ?
Armelijk versjofeld, stond 'n breed joodsch bedelvrouwtje hoog op de brug, met d'r mandje negotie op rechterdij, vasthoudend haar vrachtje met bruin-morsig, gelig verspikkelde, uitgemagerde spierhand, vel-kreukelig, aderknoest-perkamentig gekneld om bruin-vuil hengsel. In vervaald armoe-oranje sjaaltje, hoog om schouêrs en hals gespeld, afpuntend op hangborsten en flodderjakkie, smoezel-bruin, laag staand in vaal zwarten, doorvlekten, lap-loerenden rok, kartelig-kort zwabber-plooiend om beenen, die rottig verfranjeden in smeer van uit vuilnisbak opgediepte pantoffels, mummelde ze letters, kauwde ze woordjes, wijzend in kort meelijgebaar op 'r negotie, rond-blikken spiegeltjes, met papier-rooie rugjes. Haar groote, platgedrukte mopneus, vleeschgezwel, vergoord in mat-geel van verstopte, doorkorste huid, stond bedruppeld boven breed uitzwellenden mond. Lodder-wijd builden grijze bedeloogen uit ingedrukt slapen-voorhoofd; oogen in traanklierverstopping, week uitwaterend treuzelnat, dat opdroogde tot korstjes-zwart in hoekjes, of wegliep in branderige, wimperlooze leden. Jukbeenig gedrongen en verhoekt kaakmagerde haar ondergezicht uit hoog dichtgespelde sjaal, beplooiend oranje-valen