176
gesprei, in sis-rook, uit giftpotjes, doorzuigend, doorweekend de zaal, in giftige openbarsting van ondergrondsche vochten uit vulkanische bron-woede, die opslingerde nevelend, aschgrauw-nat, belekkend en omzuigend lichamen en schijven, ruiten en muren, in dof-nattigen, vloei-killen, warmen stank, zuurder, bijtender, verstikkend, alles rondom verduisterend in bronzen en zwavelpaarse nevels. — Stoppen konden ze niet; kookwoede ging door, uren, uren, lei helsche worsteling open van werkers die wilden zien hun doppen, hun facetten, wegblazend al-damp rond schijven en pitten. Telkens vloekte öp heviger haat, elkaar berazend om alles. Kleine tegenspoedjes in den arbeid werden huil-giftige hindernissen, als ze even niet konden zien hun werk, en pijnlijker geworstel striemde aan heviger razernij tegen zon vlam en stikdamp, op plaatsen waar nieuwe hozen bij gegolfd werden. Ontzettend brons-paars verzwaveld mistte 't licht, alsof tusschen verborgen gesnik en gekerm van motoren, somberen machien-zuigzang en sidder-dreun-rhytmische hijging, zwaarder gingen ademen levend geworden assen en drijfriemen, gemarteld als de werkers in hun arbeidsstuip, verlevend mèt de kerels in klacht-vloek; gloei-staal, als één geworden met vleesch-hitte-lijven van arbeiders in benauwing, die in woester gevloek worstelden tegen hel van giftdampen en stik-brand, erger verbroeiend achter zongestuif onder blind gesar van oogen, longen en keel. En telkens ging hoog, in woeste leefvaart voorbij, bang-wild, brugrumoer van jongens, loopers, werkers en kooplui, wègschimmend in dampwolken van geelbruinen zwavelmist, bij plekken vervloeiend in zonnestuifsel van hoogere, hittelicht uitkoortsende raampjes; voorbij schuin-boven slijperskoppen hangende luchtbrug, als öpgewarrelde, woelende leefsfeer van in- en uitstorming, losgerukt gestoei en loopgeraas, versmald doorjoelend langs de twee lage leuninkjes. — Er onder, ademgehijg, zwaar en hevig, van fabriekslongen, met opkruipende zon, de dampzaal verlichtend als hellekrocht, waar 't looprumoer, verschimmend en ruk-wolkend, lioog boven uitgedoken, aparte strooming gaf aan fellere brug-leefsfeer, uitgewolkt boven gestamp, gesnik en gezuig van assen, en raderen, met langen kruisgang van riemen er onder, glij-zoet verwentelend, sar-zoet, zettend den grond in wemeling van staal-glanzig, dof-lichtend pleksmeersel en riemschaduwdwarrel. En al heviger soms öplaaiing van bovengrondse!! opgetild, helsch losge-stoeid brug-geleef, verdwarrelend in damp, vergalmend in kreten en zang van vermartelde hartstochten, driften en gloeiinstinkten, die aanbonkten vlak tegen zoldering öp. Donkerder dreigend bleef wasemen vulkanisch brongift, zonplekken verdoffend, terugslaand op gewriemel van kerels die stonden naast potjes, in mondklemming, plots wegduikend in hitte-borreling achter zwaren wolknevel; alleen te hooren nog kuch-geruk en hoestrochel, scheurend pijn-benauwend uit lichamen, onzichtbaar verstoomd tusschen zwavelbrons, satanisch doorsinteld van rood-likkend gevlam uit verstelpitten die woeikookten in spitsige flikkering.