175
roosjesprutser, — juilie mit je plaètluise!... v) mot je d'r weer ron-deljes an koke?... luisige poffertjesbaèkker!
— Verrek! — hikte de jood, telkens zweetdroppels van z'n be-keepten neus vegend, — tien steentjes bin 'k tekort!... allo Semmie, vraag an de machinis de grondvulles!... je mot vinde!... de grond is geen zee!... maar bran eers maar die vulleshoop uit,... hier hê je de ghietlepel.
— Saènsodemieter!... luisige poffertjesbakker, laa je d'r nou nog meer rotstank bijkomme ?... is 't al nie erreg genog ?... ik stik!... die peshitte!... jèsses, daör kots-tie d'r weer 'n pruim bij!... die saèl me rotte!... hé Sjèmmie, roer soo nie!... weg die vuurtang!... of'k slaö je haèrd-stikke f'r je raöp!... wég mit die vuurtang, god-sa-je-an-puin-morsele!
— Wat e peststank! — gilde de slijper met z'n boeventronie, — mieter 'm die gietlepel uit se klaue !... ik ken nie ademe!... morrel toch nie soo an die pit, pesstraal, ik stik!... ik spuug bloet!...
— Lék me de maarch!... tien steentjes bin 'k pooter2)!... 'k mót branne, of 'k wil of nie!
— Stik de kènarietjesmoord!... 'n jood en 'n luis is de rotpest in je huis! — gif-rijmde de tweede slijper.
— Krijg stuihpe!... hoe meer gójjem hoe meer de mazele ! — driftte Kiehl er tegenin.
Toen, verhit, telkens wegwolkend in stikdamp, bleven Kiehl en z'n potjongen morrelen aan de pit, rotte olie en spiritus tusschen lepel vuilnis gooiend, om de vlam erin te laten spelen, 't sneller te zien verbranden. Walgelijker stanken borrel-giftten op. Zoo, barnend in de dag-hitte van vroeg uitgebroeiden, zomerschen zonbrand doorsiepelde wasemstank ruimte-zaal, omklevend lijven en gereedschappen, uitbijtend in zure vlekken op handen en tangen. Telkens van andere plekken wolkte aan dikker dampgedwarrel, in zonvlam verstuivend tot lichtenden zwavelnevel, ruk-waaiend in bronzend wolk-gesprei, lichter, al lichter. Door zon geschroeide plekken ijlde wolklicht, in mengelstank van varkenshokvuil met scherp-zurig-weeë drogisterij-geuren, die beangstigend en keeltoeknijpend spartelden in bijtzuur van afkookgift, nog maar half verdrongen. In de hoeken bij de pisemmers zoog artis-achtige wildebeestenstank naar binnen, luchten van vreemd rot-strooi uit konijnenhok, met vunzige doorwaaiing van verbroeid vuil, dat zoog door andere stanken heen, ranzige, gistende hoopjes, voos-branderige, zoetig-zure neerslag van vitriool. En dieper op, nog scherper, zwavel-giftig sterkwatergeprikkel, doorzuigend, feller, brij van geuren uit pishoeken en eet-rottend vuil, hier en daar bij brokken doorzond in lichte opkleuring, broeiend en gistend rond zweetuitwaseming van hittelijven. — En al maar zonder eind wisselden afkokers elkaar af, kwam nieuw, zwaar gedamp in gevlieg en