174
doorbraken kwijlig drab-sap en bruin kleef-spog, in al woester gerochel, bleek koon-vaal ontdaan, vergrauwend om neus en oogen, tusschen roetig smeerselgevlek van bemorst gezicht, misselijk van schrik en bijtend brandsap achter in z'n keelgat.
Van vier plaatsen tegelijk steeg plots, boven verstelpitten uit, giftig, bruin-bronzig, vulkanisch dampgewolk, in spattende knetter-sis-borreling, uit roetzwart berookte afkookpotjes, doorwasemend de werkzaal, soms als verlicht kolomgedwarrel door zonplekken heen-zuigend, in goudbronzigen gloed, verdampend en omspelend ingeslapen lichtglanzinkjes van kleur, rond molens, omjoelend werkerskoppen in hitte-wasem van goudgloed, neerzengend op tintsluimer van eerst schaduw-koel wandverschuil, nu, door wenteling van zonbrand, omvlekt van lichtstuifsel.
'n Paar joodsche slijpers die leveren moesten op hun dag, hun vrijdag, kookten af diamant, stonden verbroeid aan verstelpitten, onder stikdampgewolk van vitriool, waarop, in hittedans van gift-uithijgende vloeistof, in spartelwreed sissend rondomgespat, koningswater langzaam bij gegooid werd. Met monden dichtgeperst, stonden ze, in snak-ademgehaal door neus, hoest-kuchend giftigen damp uitademend, als zweet-hijgende paardbeesten te stampen op den grond wanneer opgolfde giftiger kookdans van vitriool, doorsparteld van nieuwe koningswaterhoos; breeëre wolknevel, hevig bruin-gas-sig, die pijn-traande in snijdend gebijt, dikke giftstankbenauwing, in oogen, op wind van laag ventilatieraam rondgezeeft de heele zaal door, aan vier kanten kookwoede en angst voor diamant, vloekhoest uit longen van al-andere werkers scheurend.
Aan pit vijf, vlak naast 'n afkokende, kwam Kiehl de roosjesslijper staan met zijn potje. Onder zwaar gekuch en nijdig weggeblaas van damp, omwolkend andere werkers die meekuchten en vloek-raasden, sneed ie met 'n puntig mesje voorzichtig z'n steentjes uit doppen, fijn randend rond 't soldeer. Juist wou ie z'n potjongen zeggen dat ie vegen moest, omdat ie twee steentjes miste, toen nieuw, zwartbrons gif van opgegooide koningswaterhoos z'n keel verstikte, hevig rondvulkaande in cirkeldampen, dreigrazend borrelde in bruine gloeispatten, wijd kringend uitspuwend stikscherp gift. Met één hand bang voor oogen gekneld, de andere aan z'n mond, stond Kiehl zwaar uitademend ingezogen vitriooldamp, kuch-afgemat, doorbrieschend als paardbeest, hijgend in woordgebrokkel. Gevloek en getier vergolfde van molen tot molen, pit tot pit, van enkele kristen werkers, die niet schoonmaakten nu, toch verstikkend in stankvuil van joden. Soms, als twee maal koningswater uitge-hoosd werd, siste de zaal vol, in geluidsplof, als kolkten giftbronnen open met zwavelzuren stankdwarrel, beslaand zonruiten aan één kant in dof traan-nat, dat glibberde langs de ruitjesplinten, omdau-wend in roestig-nat-zuur staaltangen en schijf. — Naast Kiehl, den roosjesslijper, gloeide hevigste opwinding.
— God-sael-me-laserstrale! — schreeuwde Lemminga, in haat tegen