I 72
Onder de werkers was strijwoede losgebroken; de door Hols bekeerden waren bijéén gegroept, weerden af uitroepen van gift en jaloezie tegen hem van slijpers die Hein haatten omdat ie ze ״bena-deelen" wou in hun verdiensten.
— Hols hèt recht! — riep Seis, 'n flinke, pootige kerel, met 'n bril op, in zwaar stemgeklank, we binne allemaal aartslafbekke!... op ons veertig jaar sijne we blind... kenne we mit gare en band loope... sijne we driekwart vergiftigd... we schijte allemaal in ons broek voor de patroon,... Soo as hij 't ons uitgelege hèt, ken 'n kind 't begrijpe!... fijn hoor!... 't fijne is juist da de kapitaliste ons sand in de ooge strooie, da we nie eens meer sien kenne hoe we worde afgebeuld!
— Sa'k 'n negeoog in me harses krijge dat 'k geen poot verset op een Mei! — gilde Lemminga mee, — en as d'r maör één an de mole komp, schep 'k 'm mit se mieter de sloot in!
Lawaai, gedreig en gestrij van alle kanten. Roskam de kapslijper galmde z'n ״falderahee-ié" er tusschen door, wijd-af staand van 'n goor emmertje in den hoek bij 'n kist, waarin ie waterde, in groote boog telkens speelsch kringen rond den grond slingerend. Hevige bijt-stank van urine zuurde den hoek uit.
— Ik flik 't soo!... wat ê rötboeltje!... nou most 'k énkel nog maar vier hoog afsakke om te fluite, seg ?!...
— Sijk in de èmmer, klootsak! — riep Hense, met 'n duw tegen z'n rug, — salie se de pes krijge dat we onder ons werk aldoor vier hoog afgoan motte om te sijke!
Onder dopgedraai gulzigde Hense uitgereepte stukken sukadekoek op, met glimvingers en soldeerschilfers van lood, telkens indrukkend koekkluiten, toch döörverstellend in werkdrift, snel betastend vijf-vlammige verstelpit, die broei-schroeide in looduitdamping en flakkering voor oogen.
Roskam, met heele hand diep grabbelend in z'n broek, in viezige spreiing van stijf-gestrakte onderbeenen, liep naar blonde Mie, vragend wat zij 'r van dacht. Mie gaf geen antwoord, schuintjes-lacherig kijkend naar z'n gulpgegrabbel. Heftiger werd aangebonkt tegen de bijvallers van Hols. Maar nu liepen drie van den overkant op en schreeuw-raasden dat ze liever den molen in brand zouên steken dan op een Mei 'n tang opnemen. Woelig werd 't gedrang achter den molen om Hols; geschreeuw en gevloek van gehinderde werkers die geen stom woord hadden gezegd, en niet meer voort konden; meeningen en spotternijen sloegen tegen elkaar in als rumoerig knettergespat van vuursteenen; meer dan tien vielen Hein bij, en Seis, over z'n bril heenkijkend, met rondborstig gespreek, hield aan dat ze allemaal schooierige lafbekken waren. Kiehl, de roosjesslijper, schreeuwde er doorheen, schor hakkerig met één zin:
— Alles in de luch!____ de rechte shoört foor me vrou!... ze
zal me liefhebbe