68
soo pisse... sorg me seun da'k 't grooste boogie sijk... en-ne soo geschiedde... en-ne asdaen seek onse heere mit 'n groote boog... en-ne Jésessie mit 'n kleine... en-ne naost 'm seek sachies de heilige geest... mit 't kleinste boogie... en-ne Go- sag asdaen daèt 't goed waès... en-ne asdaen is 't gaan regene... waènt vaoder, seun en heilige geest haèdde gesèke! —
Droog-komisch weer, zonder lach, hield Hense op. Blonde Mie schater-schudde op 'r bank, streek met één hand door d'r blonde haarwrong, iets zeggend tot den versteller, wat ie door lachrumoer niet verstond. Onrustig begon weer geschuif op de bank van Kooste, neerbukkend z'n hoofd in dieper werkaandacht boven schijf.
In dol stamprumoer was plots, in mislukkend-wilde ophijsching aan trapleuning, Boon, de kapslijper, de zaalbrug opgeslingerd. Dronken lachgeronk hijgde z'n strot uit. Als 'n zinnelooze sprak ie tot z'n leegen molen onder 'm 'n paar meter van 1m af, zette zich toen in danspostuur, sprong op met handen en voeten wijd-uit, op één plek waggel-strompelend, mal-klownig, met slappe polsen pop-pejes-slap, in gedrukt-ver dwaasden kop, open schuimmond, tonglap fel-rood eruit, in levensgevaar wankel-scherend boven drijfriemen en heftige zuiging van asraderen dansend, stamp-waggel-stampend als 'n dolle op smalte-brug, doorduikend tusschen leuninggaping, al heviger lawaaiend. Z'n paarsig hoofd was vaal-koonig betint met rosen blos, stille drankhitte van borst, hals en gezicht uitwasemend. In vuil-blauwig gestreept overhemd, met das achter op z'n nek geschoven, bleef ie zingen in beangstend-stemdronken verdwazing van woorden, overslaand met valsch schuurgeluid, onder gebarenlawaai van pikzwarte handen, 'n malteuterig liedje, tusschen somber-dreun van machiengeraas, doordraaiend op één regel, in dezelfde woorden gevangen, monotoon wijsje, deun-drenzerig inzakkend al meer met hoofd naar knieën, slaand op z'n dijen, zingend dat ie geen ״snars" meer had, en dat z'm niet meer wilden boffen. Z'n, om knieën spannende slijpersbroek, als sierloos mexikaansche pantalon bij de voeten slobber-wijd uitzakkend, was vermodderd van boven tot onder van val-vuil bij 't trappen klauteren. In doodmoe gehijg was ie eindelijk van 't trapje bij den ingang afgezuld en bij de deur neergesmakt als adem-hijgende vuilnishoop.
Lemminga, die nog te luieren liep, maar eenmaal aan den slag als meester-werkman „ze raakte voor drie", wras bij 't trapdoor-loopje de brug opgesprongen, afstappend bij den ingang, voor Boon staan blijvend.
— Saènsodemieter Boontje, hou je roer-recht!... waèt sit je weer mit je kont in de olie!... nou al bofe je theewater? . .. nou heb je vrouw s'k weer f r jou dood te sappele! .. . waèt 'n lasersekreet bi-je toch!. .. verdomd ... je mos mit je kont de bak in!
— Papperlappap beste jonge!... ik heb lol... in me... léve!... ga mee, dan neme... néme we nog 'n ei!
— Sa-je de koors in je ooge krijge! — giftte Lemminga terug, —