Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



164

fijn-stil, schuw voor vloeken, bang opschrikkend voor elk gemeen woord. Klaas Hense, naast blonde, lach-klaare, hysterische Mie, wist dat Kooste haar, stil-verhit, z'n lijfsliefde eens had opgedrongen, gesmoord verborgen, onder beefwoorden en wilden hartstocht, maar dat z'm van d'r afgetrapt had, vies van zoo 'n week-zalvend stuk mansvolk, kleef-zweeterig warm altijd, met neergeschuwde oogleden onder 't spreken en schuchter vies-week stemgehaper. Klaas Hense wist alles van z'n blauwtje en gesmoorden hartstocht. Hijzelf, vrijdenker, ״godloochenaar", sarrende spotvogel, ook kalvinist geboren, wilde striemen eiken dag 'n beetje, maar altijd wéér, dien smon-zelenden, mummelenden, stillen huichelaar; striemen z'n weeken kop, z'n stil lichaam, dat hartstocht uittraande, z'n valsch-sluwe oogjes, die loerden altijd angstiglijk naar centjes, centjes van die, centjes van overal.

Hense's spot, eerst als lol uitgegift, werd wellust, diepe zegwellust, hitte-haat, blinde wraak-haat om te zeggen 't gemeenste op 't heiligste voor Kooste, om te striemen z'n huichelziel, z'n zifterige, valsch-stille preutschheid voor vloeken en gemeene woorden. Hevig haatte ie 't schijnfatsoon, 't kalmgemaakte in dat monster van hebzucht en sluwe onderworpenheid. Meppen zou ie 'm, elk uur, eiken dag, raker, gemeener, om 'm te omschreeuwen, te omgalmen met zijn afschuw, Mie's afschuw, met den afschuw van de heele fabriek. Altijd wachtte Hense af 'n stil moment, om uit te rekken in woesten galm, toch zalvig-pastoorig, beginnend deftig langzaam, met kerke-lijk-vroom woordgelik, preekig aanslaand z'n tong. Juist had ie weer 'n frazetje klaar. Door machiendreun heen, stemstil om de molens, klonk nu z'n hoog-sterke, deunige stem, lijmerig-verfijnd, met z'n gezicht naar Kooste:

— En-ne... toe hèt Jésessie... in hope salig geworre... in de foestijjn alleene gestaan... mit de liefe, geile Mag-de-leenaaa... en-ne asdaen hèt ie stiekkempies d'r rokkies opgetild... en 'r lekkertjes gefingert... En-ne toe hèt de Heere gesien dat ie 'r sachies gefingert hèt... en-ne gesien dat het goed was... en-ne geseit asdaen,... dèt hei je netjes gelapt me seun... da mag je nóg ereis doen. —

Schater-woeste lol barstte uit van alle kanten. Ze wisten tegen wien 't ging, en altijd onverwacht, in stil moment, stortte Hense z'n bijbelteksten uit als niemand er aan dacht, en zij Kooste zagen opschrikken of inkrimpen voor z'n molen. Blonde, lange Mie, doorwerkend hard, schudde-schaterde met lok-lach van haar wellustmond en vroolijke uitrijing van witte tanden. En de potjongens achter den molen, tusschen riemwenteling ingekneld, man-joggies van elf en twaalf, spogen van dol heet lachpleizier. Kooste strakte z'n kop, maar stug-onverschillig bleef ie kijken op z'n schijf, zonder 'n woord te zeggen.

— Daar hei je, sa'k de paördeangst krijge, wéér 'n koopmaèn!... Saènsodemieter!... seg duivelsoorlog!... rotmarmot!... hier mo je

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.