Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



63

opvangend woordgestrij, met 'n mop zich tusschen de lui kon smakken. Op fabriek zeiên ze dat Mie Bosse 'n kind van'm had; Mie, langblonde vrouw, hoog uitstekend boven kleinen Hense in haar rokken en voorschoot, knap-brutaal-aanhalig gezicht, mat-bleekige wangen, week kittelende trekken en vloekend, fijn opgewipt neusje, breeën, altijd lokkend-lach-klaren wellustmond, vuurrood ge-lip, met ivoor-wit getand en blauw-vochtig oogengekijk, dat sarde, lokte, kittelde, in jolig, brutaal-licht. In aanhalig-hoog lachgezang schoot ze uit bij 't gespuw van Hense op Heins gepropageer.

Twee boodschaploopers, jood en kristen, van twee bazen, kwamen uithijgend moe 't nauwe doorgangetje bij den hoek indringen, tusschen eiken slijper en versteller dien ze voorbijgingen, in dolpret hevig opgebuild, dóórworstelend achter werkersruggen uit. Grauw-moe verhit stond 't baardlooze gezicht van den jood, grauw-vloekerig, met wrevelmond die huilde stil, in nijd van sjokken zonder rust. Schichtige gejaagdheid doorschokte z'n kop, en z'n hoofdhaar plakte zwart-laag van zweet op voorhoofd, verkruld tegen wenkbrauwen. Met 'n rood, witjes-rond doorstipt zakdoek beveegde ie z'n hoofd en hals, met andere hand vet-zweet om z'n neus op mouw- en broeklompen afplekkend.

— Dóe me ê mitswe ') ... géé me n' effe da bankie daa?... ik bin doodmoei... as ê phaart bin 'k gehold, — zei ie toonloos-zuchtend.

— Bi-je beflikkerd ?... ga op'n drrol zitte a-je moei bint — lolde 'n slijper, met z'n voet 'n bank bij 't schijvenrek onder den molenbank wegtrappend.

Meewarig keek de looper z'n joodschen baas aan, maar die deed mee in de pret, moeheid van [den man ziend als smoesje, zelf ook nog lust in beestachtig opgejaag van lui die 'r toch waren om te loopen.

— Jaa, je ken hier zitte!... mot je maar eers je plaase be-spreeke!... haal mijn maar effietjes van de kantien me ketel chukkelaa... ik wach nie langer... en haal d'r drie gember-boles bij... maar zeg an dat loeder beneje... as ze d'r nie mit 'r reeth an gezoge hèt... en az-ze de forrempies nie meegeef an je,... az-ze me dan al de gember d'r uit haalt. . . vergeet d'r nie an!

De kristen looper was doorgekropen, en ging tegen den bezwar-ten muur, onder 'n stapel opgehangen goed, in 'n vuil verdekt hoekje op den grond zitten, vlak bij den dikken eigenwerkmaker Kooste, den ״fijnen" kalvinist, dood-stil werkman, slachtoffer van Klaas Hense, die eiken dag voor hèm alleen, tartend afgemeten, 'n paar Bijbelteksten maakte, dierlijk spottend ze uitvlij-mend in huilsmoel van Kooste, ״den fijnen", die geen sterveling'n cent gunde, pestman, wantrouwend, zich doodvechtend om 'n halfie,

') Hier: een genoegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.