62
De bruggrond dreef van plassen en vuil, afdruipend langs hoeken» stutten en glibbertrappies, watervuil rondgegolfd in wilde stoeiing door potjongens of bazen. Achter enkele molenstutbalken, waar giftige zonflitsen tusschendoor knalden, dreef verlichte, in broeiing geraakte vuilnis op den rottenden houtvloer, kleurige schillen en klod-dergesap, in brand gelaaid door fel lichtgeflits, uitwasemend in stankmengeling van stront en karrenvuil, rottende visch en bedorven noten, duf-zuur, scherp-wee van olie en jenever, reukvlagen als van traan en teer, uitwarrelend in zuur van hop en bitterprikkeling, stil spreiend door de zaalruimte, onder balkdruk van zoldering, die laag, broei-zwaar, in verfwijfelende kleurdoffing uitschimmelde, als plettend op neergebukte werkerslijven, met schipachtig bruggeloop schuin boven koppenlaagte.
Hein had 't weer aan den stok met 'n paar slijpers over den achturendag, kerels in wier doffe koppen ie hameren wou de oplevende, heerlijke idee van den Meidag, over 'n paar dagen op handen; 'n dag die zooals hij 'm zag moest doorzonnen elk arbeidershart, ze tartenden lust moest geven tot staken van arbeid. Juist had ie met stikkende vreugde gelezen dat zoo'n opstandsfeest, zoo'n arbeidersdag over de heele wereld tegelijk zou komen. En gingen ze nü al weigeren mee te doen, mee te juichen op hun feest, hun grootschen, goddelijken dag van samengaan en samenleven, met 't dartelen van hun heerlijkste geluksverlangen in 't hart, met 'n diepe vreugde die zou spreken uit hun oogen, hun gezicht, uit hun gang van dreunende opmarcheering?
Roosjesslijper Kiehl, rossige, magere jood, met driemaal velglib-berig ingekeepten reuzenkokkerd, zacht verduwd nog naar bleek jukbeenig gekoon, pestte 'm al den heelen dag, wel wetend dat ie de meeste slijpers op z'n hand had, geen van allen verzuimen wilde, uit haat tegen dressuur-orde, tegen socialistisch ״gekonkel״ en uit hebzucht om geen kostelijken werkdag te zien verloren gaan.
— Nie kwaad... me vrou zal vrage of 'k mechogge bin, as 'k me daar overmorrege kom anzette... mit werrik in huis... ze zal zegge... zal ik sterrewe dat je sjoeg x) bint... en mit rééde! — zei Kiehl, zacht beaaiend z'n dop met poeierpenseel.
— Natuurlik — schreeuwde Hein terug, met z'n tang 'n dop in verstelblok duwend, — dat is jelui laatste toevlucht!... wat jelui vrouwe d'r van zegge!... alsof die precies wete wat je te late of te doen hebt in 't belang van ons al...
— Sansodemieter Hols, hou nou es je kut op 'n kier ! .. . hou nóu es je smoelwerk, mit je afgeneukte Meidag — lach-krijschte de versteller Klaas Hense, in den hoek, twee pitten van Hein af.
Naast Mie Bosse, de eenige verstelster op de heele fabriek, zat Hense, en altijd smeet ie 'n duit in 't zakje als ie, loer-luisterend
') Mal.