x 61
tang op z'n hersens zou slaan. Kraaij, de pester, 'n beetje bang voor 't vertrokken bleek-sidder gezicht van z'n vijand was afgeschrikt gaan zitten, met broeiender zonnelaai nu op rug en achterkop, dat dwarsig doorlichtte in ijlgouïgen warreldamp op rood-bruin beschilderde afstutsels van eiken molen, waarop, in één krioelende lichtlijn, onder kleurgestijg van roodbruine balkstutten, doorgiste hittebroeiing van zon en stofwarrel, fèl tegen 't in koelte-schaduw gesmoorde donkerder roodbruin van andere molenbalken. Nog 'n overtolligen ruk naar zich toe aan 't gordijn gaf een der verstellers, meepes-tend tegen Kraaij den ruziemaker, in schaduwkoelte lach-kijkend achter zich naar z'n slachtoffer, die nu nog in feller gegloei zwaar begoten zat van lichtstraal, zettend rechterhelft van z'n kielblauw in hoog-paarsige verhitting. — Rustiger 'n oogenblik ademde 't nu in 't stinkende doorgangetje, waaruit opgepropt lijvenzweet en stink-vies menschenvleesch uitwasemden, onder weeïge luchten, als van rot hooi, varkenshokkig-bedompt, en vetkaarsenreuk. — Aan straatkant van fabriek was koeler, luchtiger geleef en geadem, sappelden de werkers in wat vrijeren luchtstroom, hadden ze doorstaan kortere ochtendschroeing van zon, die klein-beverige lichtcirkels wentelde langs zoldering en loopbrug in straalgeglij en lichtgespat, vroolijk-heid borend in somber bestoven balkgeplet van hijgende fabriekszaal. Hein, die zich in de herrie niet bemoeid had, smeet luchtigjes uit z'n la 'n risje soldeerplaatjes even van 'm af, net in lichtdamp, die opzuigend ze vertintelde in zilvervonkvuur, gillend uitschitterend op 't vervuilde zink, waar afgeschilferd soldeervuil overal om de blusch-bakken heensplinterde; viezige hoopjes, naast en tusschen halfhempjes, zwart-morsige of kleur-bestreepte linnen dassen, papierproppen, rot uitwasemend ge vlerk van krantflodders, bekorste, dof-blikken bolusvormpjes, met eetvuil dat stank verbroeide, gistend, rot-borrelend in zon-damp en rook, tusschen uitwaseming van half naakte bovenlijven, bestoven lichamen, bebroeide, verzweete, gerammeide, stinkende, geteisterde lichamen, waartusschen even door laag tuimelraampje flauw-lauwe luchtstroom uitstrotte, als door half-toegeknepen keel, neerdwarrelend schroeivlam van dans-likkende verstelpitten. — Stil dreunde machienzang de zaal in, boven ingeslapen schreeuwlust, afgestompte driftruzie in soezende stemmentempering.
Midden in werkzaal smalde 'n brug van in- naar uitgang, opgeslagen boven wenteling van assen, raderen en drijfriemen, die gleën in kruisgang over één wiel, twee schijven in gang zettend van overburen. Wat anders doorloop was, stond in wemelend riem-gekruis. Bij den ingang van werkkamer plankte, in nat-rottig ge-slibber, 'n trapje, vastgehaakt aan brug in zaal-midden, waarover heenlawaaide langs twee leuningen, schuin boven houten molens en werkers, al wat uitging en inkwam, angstloos voor riemen en zuigassen, losgegierd rumoer en vrijelijk gestoei van bazen, knechten en jongens, in hosgang, klautering of uitbraakgeschreeuw tegen laagzittende werkers; hooger uiljoelend leven, rakend de zoldering.