Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



i6o

Sijts en Kraaij, twee hevige vijanden, die elkaar, door beter werk en onderkruiperij bij 'n paar patroons beurtelings er uitgekieperd hadden, altijd bedacht op hinder in werkgesappel, bleven in dreiging beloeren wat doen zou de een of de ander.

— Sodeflikker dood!... wat lui jij! — schreeuwde met verpur-perden zweetkop, vlek-rozig, bleek-week van ingesmoorde drift en hitte, Sijts schuin naar z'n buurman toe, — jij hèt 'm effietjes op je smoel, maar ik... godverdomme!... pal boven op me mole, op me schijf en op me harses!... en 'k heb geen tijd om 'n krant an te plakke!... Jezis mieterstraal!

— Om de dooie dood niet! — krijschte mee Hamster die door 'n schroei-kitteling van zonnelaai pal op z'n zilver-schitter-dampende soldeerdoppen geraakt was, met rukken weer en plooischokken 't gordijn naar zich toe trekkend, onder uitspreiing van puntenge-fladder, — jou brant tie toch ook nie in je smoel!... je hèt toch g'n ooge in je kont sitte,... paardelul! —

— Nee, as je n'm soo laat, nie, — zei Sijts, lekker weer wegduikend in koelen schaduwval.

— Luissege pesflikkers!... sal 'k 'n siekte krijge, nou sta ik weer te verkole!... kijk nou sellewers... schommelkont! —barstte weer uit Kraaij, die weer begonnen was met gordijnschermutseling, om Sijts te pesten, van wien ie wist dat ie op afmaken zat, koortsig benauwd. Als ie had gewild, kon ie wel in 'n hoekje 'n smallen krantfladder plakken of inspelden, maar hij wou niet; alleen pesten den ander, die zweet-bloedde, in rood-vlekkige driftbleekheid, met beving van giftlippen, rondvloekend in scheldrumoer, en wild gesmijt van looden op z'n molen rondom. — Kraaij was weer naar 't gordijn gehold om te ruk-meppen.

— Krijg de peskoors in je ooge, laa sitte, seg 'k!... laa sitte! — donderde Sijts krijt-bleek uit, onder afdruiping van zweetgeparel, beschenen weer in gestuif van gouddamp, even bezij ooren en jukbeen. Giftiger ׳nog gaf ie weerlooze woedebonken met looden tegen z'n molenpen, die kromknikte en sidderde hevig.

— Leg jij je moer 'n nijfie, rotsodemieter, ik k e n soo nie voort! — krijschte Kraaij, met z'n rug naar Sijts gedraaid.

Warrelende uitbarsting van liedjesschreeuwers er tusschen, donderend gezang en machiendreun, doorzuigend en razend in siddering van molens, verhitte worsteling van dierkreten uit bezwarte tronies van woedekerels, vol gift en haat-hinder, opproppend in nauw knel-geleef van broeiend doorgangetje tusschen verstellers en slijpers. Rukken en trappen aan weerskanten, beef-snel geschuif van gordijn, dat losser plooifladderde, met telkens straal warm uitgeflikker en wegdooving van lichtdamp, die kromp, laaide en tonglikte onder mannenworsteling van vijanden, 't Hevigst boven allen uit stonden Kraaij en Sijts elkaar te berazen. Plots greep Sijts twee leege tangen van 'n molen achter 'm, schreeuw-woest in bleeker noodzweet roepend, dat, als Kraaij 'n hand verroeren zou, hij 'm pardoes den *■־

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.