58
dat wilde.|_Weer voelde ie in 'm openbarsten nieuwe geestdrift voor z'n ideaal. Ja, hij zou weer kunnen strijden, strijden, dat voelde ie ruim. En al was voor eeuwig van 'm wèggerukt z'n levende liefde, die heerlijke vrouw, aanvuren zou ie en opleven met die klasse, waar ie in merg en been toe behoorde. Ja, hij .zqLL״weer.strijden voor dat goddelijke recht, voor verdrukten en geslagenen, en zonder dat men zou weten wat in hèm gestorven lag, z'n jonge, reine, stamelende liefde, zou ie weer gaan naar z'n dag-hel, zou ie weer tusschen hellegeraas, dreuning van machines en vloekrazërnijen van kameraden, z'n werk van opvuren en uitstorten terugvinden, met
dat eeuwige, stil-schrikkelijke drama in z'n ziel____z'n jonge liefde,
gebroken, rauw geknakt door 't vreeselijk-vreemde Leven, waardoor ie al de smarten van z'n makkers van 't heele proletariaat nog zuiverder, dieper, merg-indringender voelen bleef. J TEn nou, op z'n krotje, in stilte-fluistering van hevigen nacht, met tranenhitte in z'n oogen, smeekte ie dat Onbekende, dat Leven waarin ie verder zou groeien, om kracht, kracht om te blijven meevechten voor dat goddelijke rechtsideaal, dat alles omvatte: leven, schoonheid, diepst genot,... kracht om te weren weedom, die terug kon storten in z'n ziel... 'n ruïne van z'n geluksgevoel zou maken... nu niet meer voor hem, maar voor z'n klasse. Want ongeschonden tusschen de treurnevelen van z'n eigen smart, was ie vreemd zeker blijven zien 't klaterlicht, de gloeizon van 't nieuwe leven, voor zijn klasse,... Nooit was dit zelfs één minuut in 'm ondergegaan, als ie gedacht had aan hun strijd, diepst geloof in hun triomf en hun heiligst Recht. En duizel-hoog boven elke persoonsramp hoorde ie hun wereldstap voortdreunen over de aarde, zag ie 't planten van hun rooie wappervaandels voor recht en men-schelijkheid, zag ie aaneenrijen, in al machtiger zwelling 't proletarische leger over de heele wereld, klonk 't lied van den Opstand uit millioenen monden naar'm toe, dat'm verrukte, ombonsde van godlijk genot en blijdschap.
Niet zou ie afwenden, 'n anderen dag weer, z'n oor, als ie uit donkere krotten en steegen hoorde kermen den somberen klaagzang van den Dood, in zijn martelgestalten sluipend onder de armen. Want eens toch zouên die kermingen en vloeken verzwakken, als sterker ging klinken de zang van dien Opstand, als vurig ging vlammen 't rood van de vaandels uit proletarische rijen. Want daarónder waren de worstelaars die vochten met allerlei wapens, allereerst met 't goddelijk rechtsgevoel, de hoogste aandoening van levensgeluk naast de schoonheid die ook zijn Eva maar half doorleefd had, wapens in hun rijen verdeeld, omgezet en gesplitst in vormen van gevoel, groot geestelijk scheppen en doordringen, iedereen naar aanleg en levensbegeerte, j