57
strijd, maar waaronder zijn, al staan ze in den kring van individualisme, met 't breedste gevoel en de grootste kennis; wezens die, waardoor ook, eenmaal in aanraking gebracht met dien stroom van 't groote proletarische levensbegeer, als in siddering, in schok van nieuw bewustzijn gaan zien, begrijpen, gaan meeleven in hun midden, en al schoonheid, al liefde brengen daar waar 't leven ze dan h é é n d u w tl
Wat verblind was ie geweest, dat ie zoo onnoozeltjes 't lijên van Eva had voorbij gekeken, haar onrust en angst dat hij was Kristen en zij Jodin. Wat was ie daar zelf overheen gestapt, omdat ie nooit aan haar gedacht had als Jodin. Zoo had 'm toch menschen-kennis moeten zeggen, hoe ingevreten, onuitroeibaar geloofstraditie voortvezelde in al wat leeft en denkt in dogmatische formulen, terug-keerend in kringetjes van geslacht op geslacht, tot 'r één 'n hak geeft, wild en ontzettend in zwaren zwaai van heftigheid, in dat walgelijk gemakzuchtig overgeneem van gewoonte en hebbelijkheid, waarin op zichzelf niets heiligs zat, en, in heiligen zielsdrang tot planten van 'n hoog rechtsideaal, al dat femelend vastgehou aan dooie formulen en letters stukrinkelt in 't rond. Had hij nü zoo'n hak kunnen geven in haar kring, bij Bresser den juwelier, bij haar moeder, haar familie ?... Toch nooit, nooit!
Zoo drong heel 'n leven van nieuw strijdgevoel door z'n hoofd... De nachtstilte bleef fluisteren 'n hoog geheim van iets eeuwigs, iets onzeglijk zachts, en hunkerend luisterde ie naar z'n eigen bepeins, en klaarder, in zilverder schalletjes, luidde naast 'm op de stem van z ij n Eva, die h è m nu zei dat z'n smart zou zinken als ie de verdrukten uit 't grauwe, donkere leed mee zou helpen brengen naar dat licht, waar zijn eigen oogen altijd vol van hadden gestaan; dat ie zich nog meer dan eerst moest geven aan z'n proletarischen strijd; overal weer waar ie kon moest opstaan, vechten en worstelen voor dat wat ie haar met zooveel vuur en zooveel aandoening had verklaard; dat ie haar dan zou zien in zijn smart, met gerustheid, met goedheid. En was h ij onder de gekerfden, de jong getrapten en geslagenen, dat ie zich zou ópworstelen tegen 't lot, dat hém ónder smakken, hébben wou zijn trotsche gloei-ziel, zijn leefwil, zijn doen en willen; dat 'm onder allen wurgen wou, om ook hèm te merken met 't teeken van den I k-zwakken, verachtelijk gestorven aan eigen smart-ziekelijkheid, vergetend dat gestaan had voor hem dat reuzenleven van 'n massa, in wier zee-kolkend leed zijn smart één druppel maar bleef. Zoo hoorde ie zingen op zijn borst haar zilveren stem, dat hoog in 'm zou staan, onaantastbaar, 't bewustzijn dat ook zij tot elkaar waren gekomen, door de ware uitstorting van z ij n levenskracht, door haar in zijn ziel te trekken, en dat die herinnering hèm altijd weer de kracht moest terug geven om zich heelemaal te wijden aan zijn reuzenstrijd, want dat ook zij
II. 24