154
nee, zoo mocht ie zich niet verliezen; z'n eerste gedachte aan haar was overal, overal uitgebarsten... dat krot had 'm vereenzaamd, verstild, vermald in 't leven... Och, als ze een keer hier had kunnen komen, wat zou ze gerild hebben. Want ook zij kon niet weten hoe hier geleefd, gewoond, geademd werd, öm, naast, onder 'm; daarbij had hij nog rijkdom soms... Maar och, wat kon hèm nou zijn krottenleed schelen... nou... nou... Zij stond bij 'm, zij, Eva, zijn Eva... Kon hij 't helpen dat haar brief d'r weer levend had gemaakt ?... kon hij 't helpen dat ie na weken eerst, hoorde de stem van een die 'r niet meer was, die niets meer kon zeggen en toch sprak met hèm ?... die niet kon zien en toch keek naar hem ?... die niet ademde, niet stond, niet ging, en toch hem vertelde éven, in zacht gezang, zoo zilver-zacht, van haar liefde, haar innigste geluk, van haar groeien en tobben, anders, maar toch ook als hij?... Nee, dat kon ie niet helpen dat ie nu eerst 'n doodehoorde spreken tot hem... dat wondre geluid, opklinkend uit 't briefje, dat z'n leven weer in vlam gezet had, waardoor eeuwig, eeuwig haar zilverstem, haar lach, haar gang, haar licht gestap weer voor altijd bij 'm was... Niemand had 'r als hij, niemand als hij, vlak op z'n borst,... op z ij n borst, waarop ze nu sprak, zong, schreide.
Nachtstilte overstelpte 'm met opschokkend herinneringsgeluk, trok den rouwmantel van 'm af, klaarde öp z'n kop. In die suizel-zware nachtrust, dien hoogen, roerloozen leefstilstand, moest ie denken aan haar met klaren levenswil, moest ie met haar spreken, antwoorden op haar woordjes van geluk, liefde. Want heel z'n leven stond vóór 'm, veranderd. Wijd-uit overal was leegte, leegte, sombere, leefluste-looze, grauwe, angstige, duistere leegte, leegte voor hèm die zich zoo één gevoeld had met anderen. Stonden die anderen dan niet in zijn zielsgeluk, of hij niet in 't hunne? Hoe zou Eva oordeelen als ze nou es zijn smart had kunnen zien? Maar waarom ook waren den laatsten tijd juist z'n gedachten over haar zoo vol martelende, stugge dwalingen en aftobbende vermoedens geweest? Ook aan dien kant had ie zich vergist, zooals ie zich vergist had in z'n anarchistische vrienden in z'n leef-ideaal eerst. In de richting van z'n zelfzucht lag 't, te koesteren zijn geluksleven met Eva; wat hij voor haar, maar vooral zij voor hèm had kunnen zijn. Zoo was toch z'n smart rechtvaardig, omdat z'n bloeiendste, volste leven gebroken was, wreed-rauw geknakt; omdat de dood van haar door z'n jong bloeibestaan heengeflitst had, zooals bliksem omkronkelt in vuurflits 'n jongen boom, neerschroeit tot asch; 'n lichaam, 'n leven dat éven daarvoor nog in geluk van jonge lente uitgeurde jubelende bruids-pracht van bloesemblank, op eiken tak z'n jeugdjaren wiegelend... Zoo was z'n smart rechtvaardig, kon ie navoelen wat ie in haar verloor, moest loslaten, hoe blind, blind lief ie 'r had. En toch, nu ie denken wou, klaar, met wil van ernst, zag ie dat niet rechtvaardig zou zijn in hem: verstompende afwending van ander leven, zelf-