Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



153

bang-ademend, z'n platten slopzang verdroevend tot hevig smarte-lied, in schemergrauw... verschreiend zijn leed, zijn snakkendsten, diepsten zielerouw.

IV.

Den volgenden avond kwam Hein twaalf uur van vergadering. Al 't geld dat ie van Eva gekregen had, was ie den dag daarvoor z'n moeder gaan brengen, zonder 'n woord verklaring, haar alleen zeggend dat ze zoo gauw mogelijk moesten verhuizen, en ie nou 'n heele poos, wel twee weken rust verlangde, niet naar 't werk zou gaan. Want stil voelde ie zich verplicht te doen wat Eva 'm zoo smeekend geschreven had, weg te gaan uit die krottenbuurt. Toen ie boven kwam, stond, door de plots gul uitgestorte liefde van z'n moeder, 'n groote lamp op z'n tafeltje, fel-hard licht uitstralend, zooals ie nooit nog op z'n hokje gezien had. Slapen kon ie nog niet. Eva's brief droeg ie, in tiendubbel papier gewikkeld, met'n koordje om z'n hals, op z'n borst, zoodat ie 'm altijd bij zich had en, wanneer ie wou, lezen kon. Want klaarder en klaarder was 't 'm geworden, dat zij haar leven hèm gegeven had, niemand anders, 't Was wel onbegrijpelijk, om krankzinnig te worden, maar 't was zoo; haar eigen stemmetje zong 't op z'n borst, haar eigen oogen schitterden 't uit, en haar eigen mondje lachte, nu nog ingehouên, god'lijk lief tegen hèm.

Nachtstilte suizelde door 't hokje, — 't hokje dat 'm had gezien in z'n wanhoop voor haar, in z'n geploeter, z'n getob, z'n lusteloosheid en z'n breeën ijver als zij 'm 'n woordje liefs wou zeggen. Nachtstilte in geheim-suizel door z'n hokje, waartusschen doorknette stemgescheur van zij- en benedenburen soms, met donkere, diepe verschuivingen van stoelen en ondervloersch gedempt nachtversjouw. Feller lichtte z'n krotje, dat, met z'n diep verkerfd balkgekruis, verlichte rot-stutsels en schimmelgroensel, nieuw, open beschenen, angstig uit grimmig-duistere bedekking aan alle kanten op 'm aan-gedreigd stond. Belicht, wijd-fel, schaduwplekte in gouên gloed 'tuitge-sloopte, verzakte hokje, met z'n lendenverkromming, ingedrukte borstkast, z'n reutelende verrotting en ruggegraat-vergroeide afbrokkeling, z'n gerammeid geul-barstend lijf, rib-gekneusd in schimmelende ontbinding van stankvocht, met z'n druipende dakwonden, waaruit zwart verklont modderbloed en steenzweet rotte tusschen geul-gaterige planken pleisterbrokken in groene scheuren, omklodderd van vochtbrij en glimnat, tranen van rottend steen en hout dat in doodsuitputting walg-wreed rauw te ontbinden stond in 't felle goud-brons van lamplicht. Zoo dreigend had ie z'n hok nooit gezien... had dat z'n eersten lief-degroei voor Eva meegeleefd? Toch wou ie 'r blijven, blijven om de herinnering, omdat ie bij eiken hoek iets tegen haar gefluisterd had, er iets weer opschoot uit z'n eerste gedenk aan haar... Maar toch,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.