i5i
kunnen overtuigen, dan toch haar hevigste smart te kunnen temperen. Zou ik dan echter, na alles te hebben uitgesteld, zooals de liefde van mijn moeder daar recht op heeft, die o, zoo een lieve vrouw is, koppigen tegenstand blijven ondervinden, dan zou ik, voor dengeen dien i k als vrouw liefheb, alles trotseeren. Ik zou dan mondig zijn, mij veel vrijer kunnen bewegen en ik zou voor jou en je gezin kunnen zorgen. Want ik heb alles zoo gewoon ingezien, niets overdreven, niets overhaast. Je moet uit dat hol weg, je moet minder werkuren op de fabriek hebben, je moet je geestelijk beter kunnen onderleggen. En och Hein, ik smeek je dat alles niet te beschouwen als liefdadigheid, maar als schuld die dè heele bezittende klasse aan jelui allen te voldoen heeft, al zoo langen tijd. Zie vent, ik wou jou kleeden, verzorgen, ik wou jou helpen met allerlei stoffelijke tegemoet-kominkjes vooreerst, maar later zou je zien dat ook i k veel meer eischen durf en veel meer eischen kan op ander gebied. Maar ik stel mij voor, na dit eerste stijve briefje, dat we alles veel vrijer en prettiger met elkaar kunnen bespreken. Want al je smart wil ik, als het kan, temperen en al je geluk, als ik mag, meeleven. Spoedig schrijf ik je, wanneer we elkaar weer kunnen zien. Wat graag had ik je nu al uit die ongelukkige buurt gehaald! Overleg met je gezin waar je nu wonen zult. Hoe graag had ik vandaag je zelf geluk gewenscht, want dat weet ik toch nog wel, dat jou verjaring de gedenkdag is van dien ontzaglijken Communedag, waar je me eens met zooveel heerlijke geestdrift van gesproken hebt.
Wat dit briefje voor ons worden zal, wie weet,.,. Maar al leg ik 'teerst mijn hart voor jou open, Hein, geloof me, al lang heb ik gevoeld dat 't jouwe voor mij niet gesloten is.*״;
Met warmen handdruk
Je innigst toegenegene Eva.
Voor den vijfden keer las ie den brief nu. Eerst had ie 'm doorgehold zonder te begrijpen, alleen maar hoorend haar stem uit de zinnen, den vreemd-zachten klank van zijn naam uit haar mondje, in één geluksduizel alleen maar voelend groote, toch kiesch-bange, schijn-koele overgave van haar aan hèm. Toen, al langzamer, las ie zin voor zin, inzuigend den klank, de bedoeling, bekijkend woord voor woord, letter voor letter. Nog schokte niet over 'm smartbe-wustzijn dat niet meer leefde zij die nu tot 'm sprak... En eindelijk, toen ie elk woord had doorkeken, bevoeld met z'n blik, gezoend met z'n verrukking, wild, overstelpend, kwam aanstormen 't uitra-felende verdriet dat ze niet meer leefde... In duistere, rillende naaktheid stond z'n smart-angst nu voor 'm.... alleen, alleen, zonder haar. Daartusschen in nu ging knagen, licht-onrustig, gejaagd, zelfverwijt dat ie 'r zoo verkeerd gezien had. Waarom niet durven denken dat zij van hem had kunnen hoüen... Waarom niet ?... Maar wat gaf 'm nu dat peinzen?... alles was gedaan, gedaan, zoo leeg, zoo wreedvèr en zoo ruw doorgehakt.
Diepe, smeekende weemoed kwam weer in 'm rondsluipen... Dood, dood, zijn Eva dood, zonder dat ie 'r ooit zeggen kon hoe brandend, snakkend lief ie 'r had, zonder dat ie zich bij haar uitstorten, boete doen kon voor z'n in-zich-zelf verteerden, altijd maar weggedrongen twijfel en wanhoop... In één smeekende, één ontzettende verteedering omsnikte, omprangde ie 't leven, met smartestem vragend 'n wonder... of ie 'r niet terug kon krijgen... of ie 'r nooit, nooit meer zien zou... Zwarter zonk en sloop z'n weemoed om 'm heen... geen wanhoop meer die oplaaide, uitgierde z'n ziel