49
't lijf, alsof ie neerstorten zou. — Wat nou!... wat nou.... van haar? — Vreugde holde over z'n schrik, trok'm uitéén, scheurde, rukte en gilde van binnen met stomme kreten. — Zou ie lezen ?... lezen ?... waar ?... stikdonker... licht... licht!... niet zien... van haar!... godalleheilige... nee!... zien 'r hand!... 't Schemerde, de fijne letterjes,... regeltjes-zwart... Op straat ?... nee!... 't lampje, 't lampje! — En in wilde verhitte aandoening zocht ie lucifers, stak in beef-haast aan 't lichtje, wat 'm duurde uren, uren voor 't aan wou. Eindelijk, eindelijk was 't 'r... kon ie zien... haar hand!... hooren haar stem! in extaze-strakke spanning, soms stil houênd, uitrustend in 'n zalig geluk, met breeë, luide lach-verrukkingen als van 'n gek, dan weer huil-stikkend in traan-smart, las ie:
Zeer waarde Hein.
j__Als ik eerlijk wil zijn, dan moet ik bekennen, dat ik hierboven wou zetten, lieve, zeer lieve Hein. Maar ik durfde niet. Hé, nu staat 't er metéén, nu durf ik toch wel. Zeer lieve Hein, kijk niet al te verbaasd van mij een briefje te ontvangen. Ik had je al veel vroeger willen schrijven, maar ook dat heb ik eerst niet goed aangedurfd. Gek hè, en niet erg moedig? — Ja, wat jij er ook van zeggen wilt, ik zal het mij getroosten, maar ik durfde niet, meer om jou dan om m ij. Morgen is het je verjaardag. Hoe weet je dat ? . . . Opgevischt, lieve vriend. En dien dag heb ik nu, zoo conventioneel mogelijk, willen gebruiken als een aanknoopingspunt. .. om je te schrijven. Zie je ? . . . dat wou ik zoo. Ik w o u heel conventioneel een zeker gelegenheidje hebben je iets te sturen. Ja, kijk niet boos, ik weet nog niet goed hoe ik het aandurf, maar ik d o e 't. Hierbij stuur ik je je lievelingsboeken, met nog een paar kleinigheidjes. Wees nu toch vooral niet kwaad Hein, dat ik je bij de boeken nog iets zend, want ik ken nu al een beetje je trotsch, onafhankelijk karakter. Zie eens Hein, ik wou zoo graag veel voor je doen; ik voel me met de weelde om mij heen zoo bezwaard, als ik aan jou en je kameraden denk. Ik wou zoo graag veel van je zorgen wegnemen. Ik weet wel dat je onmiddellijk zeggen zult: — wat geeft het een te helpen; liefdadigheid is niets voor ons, socialisten — maar stem dan in, dat ik het tegenover jou niet beschouw als liefdadigheid maar als een schuld. Heusch, dat zou geen redeneeren zijn. Ik ben vooreerst precies zoo rijk, om alleen voor jou te kunnen zorgen. En luister nu eens naar mij, lieve vriend. Ik ben heelemaal geen briefschrijfster; het gaat me zoo stijfjes af, dat voel ik zelf ook; toch wou ik je in het kort iets verklaren dat verklaring eischt. Ik weet het wel, o! je behoeft me niets te zeggen, ik had het al onmiddellijk gevoeld dat je het lang niet prettig gevonden hebt, dat ik met je wandelde, en voorzorgen nam om niet herkend te worden. Zoo iets stuitte je, omdat je wellicht meende dat ik mij een beetje schaamde voor jou en mij verbergen wilde. Maar, o, Hein! wat heb je me schromeüjk onrecht aangedaan met zoo een onderstelling, die je gemaakt hebt en die uit al je trekken te lezen w a s. Daar komt nog bij, dat je mijn zwijgen, laatst, toen we het weer over onze wandeling hadden, en over het moois, toen gezien, ook verkeerd hebt uitgelegd. O! dat heb ik stil gevoeld en het was ook van je gezicht te lezen. En dat alles is zeer verkeerd van je. Want juist in den laatsten tijd heb ik meer dan ooit gevoeld hoe veel waars er is in je beschouwing van ons leven als bezittende klasse, en van al wat wij mooi vinden. O, Hein! zooveel nachten lig ik tegenwoordig wakker, en ziè ik al 't verschrikkelijke leed dat je voor me opgeroepen hebt, waarnaar je me dwong te zien, als ook een deel van de natuur die w ij zoo eenzijdig bewonderen en soms alleen bewonderen willen. En nu, lieve Hein, met hoeveel zielsgeluk en oprechtheid kan ik je dit zeggen! ik zie, ik hoor, ik voel, ik leef ook heel anders dan vroeger, voor ik met jou gesproken had. Nooit heb ik dat zoo goed ingezien als nu. En als ik ergens kom, waar ik b. v. een jong kindje zie stoeien en spelen op den schoot van zijn moeder, of ik zie allerlei uitingen van sympathie en vertroetelingen bij de menschen onder elkaar die het goed hebben, dan voel ik hoeveel schandelijk egoïsme in die teederheid, in die koesteringen ligt opgesloten, en hoe overal ons leven zich in kleiner