Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



146

z'm niet weg moest sturen... dat ie blijven mocht... 'n uurtje maar... 'n half uurtje... maar niet weg, want dat ie dol op 'r was.. .ja juffrouw Eva... dol... Als ze nou maar wakker wier en opkeek en 'm vragen zou wat ie hier kwam doen.

Bang, wezenloozer, stond Hein met bleek, sidderend gezicht voor 't bed en rauw kantelde z'n denken weer in 'm om, draaide vóór 't besef dat ze niet meer was, dat z'm niet zien kon, dat ie daar strak verlamd stond voor 'n dooie, voor Eva, zijn heerlijke Eva, die straks wegging, van 'm af, die 'm nooit meer zou roepen, van wie ie de stem nooit meer zou hooren. En als gebroken ineens, volgestort met bewustzijn waar ie was, zonk ie neer op den grond, z'n hoofd gedrukt in de dekens, grijpend de wit-blauwig vermarmerde handjes, die er lagen gestrekt in vinger-ragge gratie. En schril-krampend kwam opgolven weer z'n smart, wegklotsend in schrijnende branding van wroeging, heet gehuil in snik-koorts, wilder, dóórvoelend de gruwel-leegte van z'n toestand, kuilde ie met z'n hoofd dieper naast Eva, brui-woest, woedend-wild dat ze toch gestorven was, gestorven zonder dat ze hem gezien had. — Wat was ze van hèm... wat ?... och, dat wist ie niet, kon 'm niet schelen meer, maar hij, hij leefde niet meer zonder haar... hij zag ineens de wereld rond 'm als afgebrand tot duisteren aschklomp, zonder haar oogen, haar leven, haar koestering!... Lief had ie 'r, verschrikkelijk, hevig, hevig, zooals ie nooit nog voor 'n mensch had gevoeld... En nou was ze af van 'm, stil, eeuwig zwijgend... Stiller overvloeide z'n gezicht in tranen, krampschokkender stuipte op z'n smart door heel z'n sidderend lijf, dat knielend neergewrongen lag aan 't bed van Eva, die ie in 'r leven nooit had durven zien, naderen.

fNee, hij kon niet langer hier zijn... hij voelde zich gek worden, razend dol, in staat tot alles... hij moest weg, wèg van die stille, neergesloten oogen, die 'm aankeken, riepen in dien schuwen, even openluikenden blik... hij moest weg van die gluipende schemering om dat bleeke hoofd. .. wèg van dat goddelijk gezichtje dat daar maar lei te glimlachen, al maar door, in 'n zaligheid van rust, maar zóó vol trekjes om 't mondje van onzeggelijke droefheid, zóó smartelijk zacht 'm toefluisterend iets in de stilte, dat ie 't hooren wóu!.. . Nee, gek zou ie worden, dingen doen die 'm voor iedereen dol maakten! — In wilden drang strompelde weer ie op z'n beenen, drukte haar marmer-handjes, verkild op z'n gezicht en zoende in hevigen schrik-druk haar mondje, één keer, wild weggebukt over d'r heen. — En nou, weg, wèg van haar, om niet te schenden haar stil geluk, haar roerloozen glimlach. — Vervreemd, verouderd, gebroken en uitzinnig stompelde ie weg, zwaar, loom-zwaar, met op 'm gesmakt 'n looien smart, niet wetend waarheen ... .1

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.