144
Hij wist niet wat te zeggen, Bresser. Pressie voelde ie in de strakke woorden van Hein, maar toch durfde ie 'm niet aankijken. Kalm-strak stond Hols even te wachten, met iets van looien onver-duwbaarheid in z'n lijfshouding. En angstiger kroop 't bijgeloof in Bressers hoofd. Hij durfde niet weigeren... nee... hij durfde niet... God weet weet waar Eva nu was... Nee... nee! — Hij voelde dat ie 't zou doen, al wilde ie niet. Toch wrokte haat in 'm tegen dien stijven goj '), die 'm daar nou met z'n paar woorden, steen-hard, verlamd had. Ja, hij moest 't doen... Eva was boven op de kamer... maar God weet waar ze was!...
— Kom maar eerst effe binne, — zei ie gedweeër.
— Nee meneer, ik wil alléén maar juffrouw Eva zien... Gaat u maar voor, dan loop ik achter u.
En Bresser keerde zich om als was elk woord bevel in z'n bijgeloof-angst, en óploopend naar de sterfkamer, vloekte ie in zichzelf, waarom ie zich dat nou weer had aangehaald met dien vreemden Goj, tot alles in staat, 'n wild-vreemde kerel, zoo maar alléén bij Eva! En pesterig, vol nijd dat ie had toegestemd, sjokte ie op, met Hols zwijgend-strak achter 'm aan. Hein wist, voelde niets van wat 'r in Bresser omging, waarom ie zoo gauw toegang kreeg; 't kon 'm ook niet schelen.
Voor Eva's kamerdeur bleef Bresser staan, wou ie nog liegen dat 'r al 'n waakster bij zat, en bij ״hen" nooit de overledene gezien mocht worden. Maar voelend dat daar vlak bij Eva lag, draaide ie, durfde ie niet.
Over Heins gezicht was grauwe bleekte getrokken, z'n paarse lippen beefden en dol-hol lichtten z'n oogen, toen ie zacht openduwde de deur, kamer in. Niemand was er. Doof voor alle leven, Bresser niet meer bij zich voelend, stapte ie voetje voor voetje naar 't bed waarin Eva lag, half onder de dekens, in wit, omkant jakje.
iJWat eerst als 'n woest-dolle zee van barstende teistersmart in 'm had rondgekookt en gegolfd, kwam nu zacht ómkabbelen z'n ziel, in staar-stille droefnis, starende mijmering van roerlooze teederheid, in traanlooze schreiing, één smacht-weedom, ontzettend van diepte en stille getroffenheid... Vreemd-rillende beklemming overviel 'm, angst van al beter te willen zien de doode, de stille doode, dat levenloos gestaar... I e t s in z'n hoofd binnen in voelde ie scheef gaan, buigen, hol worden, zonder bevatting, hol-zwaar toch, water-zwaar-vol. Door 't vertrek droefde 'n angstig ritsellooze stilte... neersomberend gebroken licht drensde achter de laaggezakte gordijnen ... Leegte, leegte met 't stomme gehang van schilderijen, 't wezenlooze, starend-verstijfde van meubelbrokken... Plots voelde ie 't verschrikkelijke, dat ie was vlak bij 'n dooie... 'n beweeglooze. Voor 't eerst van z'n leven stond ie 'r zoo vlak bij, voelde ie die roerlooze, stille ontzetting en neerdroeving van de dingen erom,
') Kristen.