Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



143

— Is ie stapelgek die kerel!... weet ie dan niet dat 't kantoor acht dage geslote blijft?

— Wach-uwes-èffetjes! — drong Saartje, er nijdigjes tusschen in, — hij-zeg-'t-is-nie-om-'t-ketoor, hij-mot-uwes-zelwers-spreke,-het-ie-gezeg....

— Wat is datt? — hield Bresser nog woedender aan, — laat ie over 'n jaar terugkomme!... bin nóu in de réchte bui om me te late koejeneere!

— Nöh, wat-mot-'k-an-die-Hols-dan-zègge ? — angstigde Saartje, met bange knipoogen tegen Bresser opkijkend — hij-wil-niet-van-de-deur!

— Hols, Hols!? — vroeg verschrikt, 'n beetje verbleekend Bresser, plotseling z'n woede smorend, — is 't Hols ?... o, nóh, laat dan maar effe hierkomme.

Bresser had 'n hevigen schok gevoeld op 't hooren van Heins naam. De verpleegsters en de dokter hadden 'm verteld dat Eva in erge koorts altijd maar uitgeschreeuwd had: ״Hein... Hein..." en dan weer Hols, en dat ze soms niet anders dan zacht naast 'r had gestreeld 'n kussenpunt, fluister-lief aansprekend en vragend of ie bij 'r bleef, en of ie niet bang was; en dat ze 't levenlooze ding had gekoesterd alsof 't 'n menschengezicht was. Ze hadden 'm toen gevraagd wien ze toch bedoelen kon, of dat soms 'n vriend van hen kon zijn, en of ie dien dan niet mocht laten roepen, al was 't voor 'n oogen-blik, alleen zien. Maar hij had ze uitgelachen in hun gezicht, ze voor-gehouèn dat 't maar geijl was, dat je geen touw kon vastknoopen aan alles wat ze dan zei en ie ook nooit dien naam gehoord had. Waarom moest ie die vreemde menschen, die ie God-weet maar eenmaal zou zien in z'n leven, zeggen dat 't 'n vuile slijper was, waar ze wel es mee gesproken had. Ze zoüen 'r maar schandaal van spreken. En toen ie nu 'n dag later nog van den dokter hoorde dat ze hevige longontsteking had, dat 't juist koorts móest zijn, en vooral geen sterveling bij 'r mocht, had ie zich nog sterker gerustgesteld gevoeld, blijer dat ie zich niet te verkleineeren hoefde. Maar toen de dood zoo plotseling op Eva was neergestort, voelde ie berouw, vreemde wroeging, knaagde onrust in'm waarom ie 'r zelf niet gevraagd had wat ze wou, omdat de verpleegsters, als de koorts 't hevigst was, na de benauwdheid, toch aldoor weer teruggekeerd waren op haar roepen naar iemand, naar Hols, en hij maar even halstarrig gelogen had, dat ie totaal niet wist wien ze bedoelde, er Suus ook angstigjes buiten houênd. En nou kwam daar ineens Hols — diezelfde Hols — bij 'm. In z'n bijgeloovige ziel kroop vreemde angst. Wat was ie geschrokken! Toen ie de kamer uitging zag ie, onder aan 'ttrapje Hein staan. Kalm-vast kwam ie op 'm af, en zonder Bresser zelf iets te zeggen over z'n verlies, zei ie, met dreiging in z'n stem, heesch-zacht toch:

— Meneer, ik wil de juffrouw nog es zien.

— Je wil ?... je wil ?... nö jaa!... motte is dwang!... Jaa, as 'k... nöh!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.