met stillen geluksglimlach dat hèm iets gewichtigs was opgedragen door den juwelier.
Plots kwam druk ingeloop van half-rebbes, arme chkomeloopers en kabronem 1). hinderlijk luid sprekend in gezagtoon, ploffend op de drukkende spanningsstilte, heelemaal zich hier baas voelend. Hun bevelengekibbel, gestrij en gemeet scheurden rauw-brutaal door 't vertrek achter de eetkamer, waar 't mes 2) gewasschen moest worden door joodsche vrouwen, die, klaar, in zacht gekonkel stonden te wachten. De stilte in 't doodenhuis was weggekrompen onder hun eerste lawaai, dat erger losbrak in de achterkamer tusschen de vrouwen en mannen. Bresser durfde niets zeggen, al voelde ie wraak en blufferij tegen hèm in de gulzige beveelwoede van die kerels, bang als ie was voor verwijten. Want tot 't laatste oogenblik had ie niets willen weten van 'n waakster, en van 't heele stelletje kabronem niet. Onritueel bleef er niemand bij 't lijk, was er ook geen chijmes 3) gezegd, niets. Z'n vreemd-heete woede was tegen 't vroom gehuichel van al die lui losgebroken, maar stelliger hield ie achter 't weten dat z'm 't vel over de ooren zouên halen, als ie zooveel jaren achterstallige schuld als balboos 1), z'n plaats in de choel en z'n kontributie als aangeslagene in de gemeente moest betalen, nti h ij weer hun diensten noodig had. Maar Suze had er ineens met 'n heftig woord 'n eind aan gemaakt en gezegd dat Eva op z'n joodsch begraven zou worden, al kostte 't wat 't kostte. Onder haar dreigoogen had ie plots toegegeven, en nou waren de kabronem en allerlei joodsche gèwere saugers 'm komen overrompelen en beheerschen in brutaal-indringerig geschreeuw en uitdagend rondgekijk. Straks zou de waakster komen, 'tlijk gedekt worden. En in stil-mokkende vijandigheid schuwde ie 't naar ze te zien, deed net alsof ie niet bemerkte hun moedwil-drukte en opgeblazen zakelijkheid, hun sar-kijk naar hem, naar hèm, chmadponem. — In triumfantelijk luid geheersch schoffelden ze onnoodig lang 't heele huis door, gangen en kamers in, volschreeuwend met gebeveel, bruut omdruischend stomgeslagen smart van mevrouw Bresser, met overal ge-verzet op eigen houtje van meubelstukken die hun in den weg stonden, joodsch-druk, elk met 'n ander plan, kijf-pratend, dóórzettend strijdlustig-taai ieder z'n wil.
Midden tusschen dat plotse gesjok van wild-vreemde, baard-zwarte, groezelig verschrompelde joodjes, en al nieuwen aanloop in drukte-makerig rumoer, kwam Saartje, heelemaal in lustre zwart, met 'n klein, vlinderig gestrikt rouwmutsje op d'r geschulpte, vet-glanzende krullen, naar Bresser toe, hem influisterend, intiemerig, vlak op z'n lijf gedrukt uit zich-eigen-voelen door leed-symphathie, dat 'n slijper 'm wou spreken.
') Lijk.
1 Lid van de gemeente.