140
— 'k gloof an Levie Bresser hier óók... 't is maar geen afzetter... Ondewijl z'n vrou... kê-jullie 'r niet? — wat è luch! — zij is
Pessie van Rij nes____ zoo'n dikke.... ogg jawèll____jullie kenne
'r wel!... nöh, om op m'n apperpoo terug te komme... toen zij naar 't mikwe J) was is hij gevlucht, want ze hét altijd as 'n klit an 'm geplakt.
't Mannetje had verhit voor zich heen gekeken, met lol van onkreukbare handelseerlijkheid, wel wetend dat de dikbuik dien ie wTegduwde, overblufte, twee maal zelf leelijk failliet was gegaan.
— Nöh! — zei ie nog bits na, óver den dikbuik, z'n slachtoffer, dien ie 'n steek wou geven, strak héénkijkend, — die boter op de kop hèt mot uit de zon blijwe!... dat is mijijn opienie!...
— Voorwat? — nijdigde de dikbuik terug — zóó as we daar zitte, bij mekaar, géwe ze geen dubbeltje voor ons as wanneer 't op betrou-baarheit óppan komt!... die wil 'n uitbrander ge we... Ik heb gehoord dat 't veel minder is, en daar blijf 'k bij.
Stille nijd was er losgerukt tusschen de twee makelaars van Bresser, doodsvijandige konkurrenten bij den juwelier.
— Jij ken nóóit anders dan overdrijwe!... Oggenemmes a) is
't de half minder____ van tien maakt ie duizend!... je weet, 'n
gojsche 3) honderd gulde is meer dan e jiddische 1) tauzend! — lachte de dikbuik, ronddraaiend in spot-kijk z'n hoofd langs de rij luisteraars.
Gedempt-schreeuwerige gesprekken over alles rondom; licht gestrij, fluister-wild en gepraat aan alle kanten doorzoemden de groot-donkere kamer.
Uitgehuild-verkalmd kwam plots Bresser weer binnen. Nieuw ingekomenen liepen gauw op 'm af met verdroefde kondolatie-strakte in gezichten. Met iedereen sprak Bresser zacht-klagelijk-bescheiig, dood-óp. — Gezwijg van konkelaars, drukkende stilte-spanning, met ritselend gevraag van gesmoorde stemmen naar Eva's ziekte weefden weer dreig-leed van sterven door de donkere zaal. Nu en dan druischte óp 'n bezoeker in alleenig stoelrumoer, loopend naar Suus en Lewie, in aandoeningsteederheid eruit persend: ״vérder geen
leed____" opvangend in terugslag „dankje" of „insgelijks", zachtjes
wegteenend achter de deur, waarop dan weer stilte neerzonk, zwaar, loodzwaar gezwijg van lijven en koppen die barstend vol gepraat zaten, maar hier, ingesmoord tusschen Suze's strakke spraakloosheid en Bressers klagelijk-zachte stemsmart, zich met kracht-geweld intoomden tot meelij-deemoed, rust in mond- en lijfgebaar.
Melankolischer grauw-licht besufte de kamer in donker gezwijg, met