137
stond, met lupusvlekken in 't gezicht, als was ze in 'n stapel fram-brozen gevallen, die platgedrukt op haar wangen en oogzakken kluit-kleefden, — ze zegge wel ereis alles komt op zijner tijd!... al binne we allemaal affanaaade 1) d'r van.
Sak zweeg; huil-grimmiger stond z'n geel-grauw hoofd in smart-verwring.
Bresser liep heen en weer, al wilder. Telkens slaakte ie 'n zwaren zucht, onder krampige huil-uitbarsting zich wringend met bezak-doekt gezicht tegen 'n hoek, smartvol schreeuwend in doffe stem-schokken:
— M'n èn-gel, m'n èn-gel!... wat hèt God me gestraft!... m'n oogappel!... alles weg! — en schok-schouderend, in krampig beweeg van rug en beenen, huilde ie door, met z'n kop weggeduwd in den hoek, in zenuw-hooge gilrochelingen, tot ze op 'm aandrongen met water.
■— Bedaar Lewie, bedaar! — zei 'n zuster van 'm, die, zelf bevend bleek, met 'n glas water voor 'm stond en weekig bang al maar tegen z'n rug stond te kloppen, — je bint toch geen kint!
Maar Bresser keek niet om; in dieper duikend gedruk van z'n hoofd tegen den muur, doorhuilend in man-zwaar gekerm, angstig-woest, soms inééns opschokkend van heftig lijfsverwringen en wanhoopsgebaren, doorschreeuwend met wroegstem dat God hém gestraft had, wilder ijlend Eva's naam. Z'n oogen stonden zwei-rood, kleinwild, wezenloos, licht-zwak z'n hoofd uitkijkend zonder bril. Woest krulden z'n haar en baard, verdund en nat gehuild. Toen ie voelde dat z'n schreien opdroogde, dat ie geen tranen meer had en toch verkwelde van smartwroeging, bijtend-knagenden spijt, liep ie de kamer uit om alleen te zijn, ergens achter 't huis, waar ie 'n beetje tot bedaren kon komen. — Mevrouw Bresser staarde krachtloos, iedereen aankijkend met glazige onverschilligheidsoogen. Ze zat omdruischt van zacht stemmengeroes, maar niets zei ze, geen traan drong op haar bleek gezicht.
'n Makelaar met 'n ouê-mannetjes-verfrommeld zuigelingengezicht, die naast Sak Bresser stond, vroeg of de dokter die 'r behandeld had, goed was.
— I k bin maar 'n leek, natuurlik! — zei de makelaar schuw, — maar van Heiman hoor 'k, as wanneer de dokter d'r geholpe hèt... dat ie d'r ijs hèt gegéwe... op alles kouht... en toen mijn schoonmoeder, nog geen twee jaar gelède, ook longontsteking gehad hèt... hèt ie d'r de heele dag late uitsweete... alles mit warreme doeke.... precies 't tegendeel as nou!
— Oggg!... wat geef nou al dat gechmoes! — driftte Sak knorrig, nu grootere groep weer om 'm heen te luisteren stond, — hoe je n't neme wil,... 't is en blijf altoos è dubbeltje op ze kant!
'n Klein vrouwtje, vervreemd-wenkbrauwloos, als door zonnehitte
') Portugeesche uitdrukking: geslagen.