Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



136

gaan!____ heengegaan !... zonder dóór te vatten... wie... wat..,

waar • • • J

II.

In de groote eetkamer van juwelier Bresser, waar de neergelaten gordijnen, donker-laag, doffig licht naar binnen geelden, zat 'tstampvol van familie, makelaars, juweliers, vrienden en kennissen. Zacht-roe-zemoezig gingen gedempte stem-murmelingen van rij tot rij, soms •onderbroken in stilte-val die tusschen bezoekers stortte, aanstekerig smoorde gepraat, wegstervend in enkele korte vragen en halve antwoorden over de doode. Bresser liep met uitgehuilde, rood-randige, wilde oogen heen en weer, telkens z'n zakdoek uit den zak van z'n pandjas halend en weer wegstoppend in onhandig gegrabbel achter zich. Mevrouw Bresser zat naast 'n leeg rijtje lage, zwarte chiwe-krukken, in rouw-strakke kleeren, dood-leeg voor zich uit te kijken, spraakloos, ieder die 'r wat zei of vroeg alleen maar mal-stil bestarend. Stug-stom achter haar stonden vrienden-kunstenaars van Eva, afgescheiden-stijf van de negociantenmassa. Op alle bezoekersgezichten strakte ernst. Sak Bresser stond in z'n gebochelde houding, met handen op den rug, zachtjes te smoezen met 'n paar makelaars en juweliers die om 'm groepten. Z'n gezicht rimpelde grauw-strak, alsof ie nachten gewaakt had. Ieder sprak met kleine zinnetjes van ontzag, eerbied uit voor de overledene, in gulle opsomming van haar goedheid en liefheid.

—■ Hoe is 't gods-mense-mogelik! — zei Sak, zwaar zuchtend met zwak-schraperige stem, telkens terugdringend 'n huil die draaide om z'n woorden, — de vorege weuk hetze me nog angesproke, ole-wecholem... hèt ze nog pret mit me gemaak... en hèt ze me nog opgechmoes allemaal speulgoeth... en lappies veur de kindere... wat e gechi-wes... wat 'n engel was 't... an geen vlieg hèt ze gekenne kwaat doen... wie hêt 'r nouh géén ragmones...

Tranen dreven z'n vreemd-lichtende oogen in; bevender haak-huilde z'n stem, stikkend-zacht, klankloozer van aandoening; en voort prevelde ie, recht voor zich uit, zonder iemand aan te kijken:

— Zoo inééns deruit... één hart al hart... as ze hèt gekenne géwe, hèt ze pas gekenne léwe... hoe bin ikke nie gegaan veur haar... zoo e jong léwe... 'n schróónheit... ellek eene hèt 'r ange-gaap... had 't Opperweuze mijn maar genomen ... te goejim... dan was 'k deruit!... O-mij n-wi-o-mij n... 2).

Stilte huilde na; beverig-ontdaan had z'n stem geklonken en allen luisterden in ontroering.

— Nóh-jaaa!... gekheid is dat!... jaaa je mag Onzelieweheer daar verzoekke! — zei 'n joodsch-portugeesch vrouwtje, dat achter 'm

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.