lig
weet toch warempel wel dat dié mense je allerminst vrij oordeel gunne!
— Ja, zoo heb ik ook 'n poos gedacht toen ik nog zoo onnoozel, maar nooit zoo nijdig-hatelijk was als jij,..• he?... nou heb ik gelukkig leere inzien dat we zonder die beschimpte politiekers niks wezenlijks zulle uitvoere... zie je... en an hande en voete gebonde blijve... ik heb leere inzien dat jelui desorganizeere van zelfstandige arbeidersgroepen verderfelik is... Ja, lach maar... je lulderij van vroeger heb ik onthoüe... he ?... en je lache ook... maar nou praat je me niet licht van de stok, daar kè-je donder op zegge!
— La, la, la, draaf niet zoo door mannetje!... want waarmee bewijs je, dat dat zoogenaamde vereenige niet alles in de arbeiders verpest?... al z'n onafhankelik gevoel als persoon, als weze?... Hê je dan nog niet onmiddellijk gesnapt dat ze daar bij juilie schar-rele en lolle met de vrijheid?.,, alles is lapmiddel, stopmiddel!... lees wat onze kampioene zegge, diè vechte voor vrijheid van elk individu op zich zelf... Want, dat snap je toch wel, zonder vrije individue is 'r geen betere maatschappij mogelik... Daar bij juilie brenge ze met hun dwang, met hun vuile discipline weer hazeharte in de arbeiders... make ze weer kruipende, likkende slaafnature, ondergeschikt en stomp zoo als ze nou nog zijn!
Hein had kalm Rozalie laten uitspreken; z'n stembekoring was dood voor'm; niets zag ie in 'm dan 'n verblinden, hatenden vernietiger, die dol doordraafde op enkele stokpaardjes binnen eng redeneercirkeltje.
— Ja kijk es Rozalie, ik vin 't eigenlik 'n onfrisch werkie, om zoo loopend 'n straatje op-en-neer zooveel gewichtige dinge te bebabbele... zie je... en elkaar van dit en van dat wat te luchte... wat ?... Jij en ik, wat hebbe we in te brenge, of we wel of niet hier doorkakele... Wat de massa doét, daar moet je naa kijke... De tijd is voorbij dat 'n demagoog ons 'n richting in stuurt... En zie je, om je de waarheid te zegge, ik zie geen nut in dat gebabbel zoo over en weer... he ?...
— O, zoo, meneer wil zich d'r af make! — spotte Rozalie, venijnig tegen 'm opkijkend.
— Dat lieg je kerel!... en daar za je te drommel 't tegendeel van ondervinde als je maar eenmaal op de fabriek bent... daar kè je donder op zegge!
Woedend was Hein uitgevallen, woedender dan ie wou, en minachtend had ie op 't kleine duiveltje neergekeken. Maar hij wou zich nu eens niet laten onderbreken, en nou zou ie meer zeggen. Kalmer dan eerst en streng, liet ie 'm voelen dat 't'm niks moeilijk zou zijn al dat gezanik over persoonlijke vrijheid uit elkaar te rafelen, haarfijn. En onder 't oog bracht ie 'm, dat Rozalie wel wist dat ie nog wel onder zijn voorlichting alles had gelezen van Réclus, van Bakounine en Kropotkine, van kommunisme en individualisme; 'n heele stapel anarchie, en dat ie toen 'm altijd zei dat ie 't zoo goed begrepen had.